| 17850 |
omhooggaan |
naar boven gaan:
nao baove gaon (L331p Swalmen),
stijgen:
sjtéége (L331p Swalmen)
|
rijzen: Naar boven gaan, omhooggaan (rijzen, stijgen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33792 |
omhulsel van het teellid |
koker:
kǭkǝr (L331p Swalmen)
|
Schede van de roede. [JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 29056 |
omslag |
omslag:
ǫmšlāx (L331p Swalmen)
|
Omgebogen of overgeslagen boord van de dakpan. De omslag aan de pan buigen noemde men in L 270: de omslag deraan strijken (d\n ømēlāx˱ d\rān ētrī̄k\). [monogr.]
II-8
|
| 31423 |
omslagboor |
zwengenboor:
žweŋǝbǭ.r (L331p Swalmen)
|
Handboor met een C-vormige beugel. De omslagboor wordt onder meer gebruikt om bramen van geboorde gaten te verwijderen, om gaten af te schuinen en om schroeven in en uit te draaien (Van Houcke, pag. 513). [N 33, 153]
II-11
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
sjaal:
sjaal (L331p Swalmen)
|
schouderdoek, wollen ~ of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen [neus-, nuisdook, nuizek, nuzzing, plak, plaggen, sjelon, falie] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 25013 |
omtrek, omvang |
omtrek:
ômtrêk (L331p Swalmen),
ôomtréék (L331p Swalmen)
|
de hoofdlijn die de grenzen van een figuur uitmaakt en er de vorm van bepaalt [omtrek, omkant] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 33651 |
omwalde akker |
hof:
hōf (L331p Swalmen),
kamp:
kamp (L331p Swalmen),
kāmp (L331p Swalmen)
|
Een akker welke omsloten is door een akkerwal, een brede gracht of door bossen. [N 11, 2e; N 11, 2f; N 27, 3b; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 34211 |
omweiden |
omjagen:
ǫmjāgǝ (L331p Swalmen)
|
Het geregeld verplaatsen van vee. [N 3A, 11; monogr.]
I-11
|
| 25685 |
omzetten |
omzetten:
omzɛtǝ (L331p Swalmen)
|
Van de natte, kiemende gerst de onderste laag boven brengen. De invuller uit P 180 merkt op dat dit omzetten twee maal per dag geschiedt. Volgens de respondent uit L 210 maakt men hopen van ongeveer 25 cm hoogte om warmte, en daardoor broeiing te verwekken. [N 35, 11; N 35, 9; monogr.]
II-2
|
| 25087 |
onbelangrijk |
beetje:
bietje (L331p Swalmen),
min:
min (L331p Swalmen),
onbelangrijk:
ônbelangriek (L331p Swalmen),
onnodig:
ôonneudich (L331p Swalmen),
waardeloos:
wéérdeloos (L331p Swalmen)
|
een voorwerp zonder waarde; een zaak van geen enkel belang [nietlig, nietigheid, dodeman, lacheding] [N 91 (1982)] || niet veel [luttel, min, schriel, weinig] [N 91 (1982)] || van geen belang, niet belangrijk [ongewicht] [N 91 (1982)]
III-4-4
|