| 17608 |
neus |
neus:
naas (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
neus [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17609 |
neus (spotnamen) |
gevel:
gevel (L331p Swalmen),
kuit:
dīēke kuit (L331p Swalmen),
kūīt (L331p Swalmen),
láng kuit (L331p Swalmen),
Plat.
kuit (L331p Swalmen)
|
neus [DC 01 (1931)] || neus, Een dikke ~ (domper, kolf, tromp, domphoren). [N 84 (1981)] || neus, Een lange ~ (fokker, domphoren, vonk). [N 84 (1981)] || neus: spotbenamingen [snoet, snotkoker, fok, fokker, kokker, domphoren, gevel, foemp] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18343 |
neus van een schoen |
snuit:
sjnōēt (L331p Swalmen)
|
neus van een schoen [snoet, tip, veusjte, teut] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 17614 |
neusgaten |
neusgaten:
naasgater (L331p Swalmen)
|
neus: neusgaten [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 34222 |
neusklem |
scheer:
šēr (L331p Swalmen)
|
Klem in de neus van een stier. [N 3A, 14d]
I-11
|
| 33930 |
neusriem |
naasriem:
nāsrēm (L331p Swalmen)
|
Leren riempje van het hoofdstel dat over de neus van het paard loopt. [N 13, 23]
I-10
|
| 34370 |
neusring |
ring:
rēŋk (L331p Swalmen),
wroetelring:
vrø̄tǝlreŋk (L331p Swalmen)
|
Ring in de neus van het varken die het wroeten moet beletten. [N 19, 26; JG 2c; mongr.]
I-12
|
| 17698 |
nier |
nier:
neer (L331p Swalmen)
|
nier [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 34208 |
nierbekkenontsteking |
aan de nieren hebben:
(de koe heeft het) ānǝ nērǝ (L331p Swalmen)
|
Een aandoening van de pisbuis, vervolgens van de blaas en van een van de pisleiders en tenslotte van het nierbekken. De kwaal komt bijna uitsluitend bij het vrouwelijk dier voor. De dieren hebben minder eetlust, herkauwen weinig, vermageren, hebben een droge en stugge huid. Ze urineren telkens in kleine hoeveelheden. De oorzaak is een bepaalde smetstof. Zie ook het lemma ''chronische nier- en nierbekkenontsteking'' in wbd I.3, blz. 486. [N 3A, 94; N 52, 29; A 48A, 43]
I-11
|
| 34265 |
nieren |
niertjes:
nērkǝs (L331p Swalmen)
|
Boonvormig orgaan dat dient tot afscheiding van de urine. De opgaven zijn alle meervoud. [N 28, 88d]
I-11
|