| 25669 |
moutmand |
mand:
manj (L331p Swalmen)
|
De mand waarmee het mout in de mouterij wordt vervoerd. De mand is soms van wieltjes (L 318) en een lier (L 210, L 331) voorzien waardoor het transport wordt vergemakkelijkt. Een "witsen mand" (L 377) kan ongeveer 30 kg. mout bevatten. [N35, 25]
II-2
|
| 25704 |
moutpoetsmachine |
moutmolen:
mǫwtmø̄lǝ (L331p Swalmen),
moutpoets:
mǫwtputs (L331p Swalmen),
ontkiemer:
ōntkimǝr (L331p Swalmen)
|
Het apparaat waarmee geëeste graan van kiemen en onzuiverheden wordt ontdaan. Volgens de zegsman uit L 210 werden de kiemen er vroeger met de voeten afgetrapt. De invuller uit L 331 merkt op dat er voor het ontkiemen vroeger een moutmolen werd gebruikt, terwijl men tegenwoordig met een ontkiemer werkt. Daarnaast gebruikt men een moutpoets om het mout schoon te maken. Zie de semantische toelichting bij het lemma ''poetsen''.' [N 35, 6; N 35, 14; monogr.]
II-2
|
| 25686 |
moutschop |
moutschup:
mǫwtšø̜p (L331p Swalmen),
schaufel:
šawfǝl (L331p Swalmen)
|
De holle, houten schop met een lange steel die wordt gehanteerd om het kiemende graan te keren. In L 210 wordt de schop ook op de eest gebruik. Zie afb. 2. [N 35, 22; N 35, 11; monogr.]
II-2
|
| 25681 |
moutvloer |
kiemvloer:
kimvlūr (L331p Swalmen),
tenne:
tenne (L331p Swalmen)
|
De vloer waarop het geweekte brouwgraan tot ontkieming komen. [N 35, 3; N 35, 23; monogr.]
II-2
|
| 18264 |
mouw |
mouw:
moew (L331p Swalmen),
mouwtje:
mȳu̯kǝ (L331p Swalmen),
sprong:
šprøŋk (L331p Swalmen)
|
Gezwel, met name een vochtophoping, aan de achterzijde van het spronggewricht. Bij een jong paard kan een overvuld kniegewricht wel eens van voorbijgaande aard zijn, maar meestal is het een ernstige aandoening waarbij geen verbetering optreedt. Zie afbeelding 16. [A 48A, 54e; N 8, 32.10, 32.11, 90g, 90h, 90i en 90j; monogr.] || mouw [SGV (1914)]
I-9, III-1-3
|
| 18714 |
mouw met kanten plooisel |
pofmouw:
poefmoew (L331p Swalmen)
|
mouw met kanten plooisel [lobmouw] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 20598 |
muik |
moutje:
moetje (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Kent u een woord voor een geheime bergplaats voor onrijp fruit? Vroeger legden de kinderen vruchten, vooral appels, die ze onrijp geplukt hadden, op een verborgen plekje in het hooi of stro om zacht te worden. Voorbeelden met woorden voor deze bergplaats [DC 31 (1959)] || mui; Hoe noemt U: (Geheime) bergplaats voor onrijp fruit (mui, ponk, bier, moele, loering, gielgoerde) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33767 |
muil |
bakkes:
bakǝs (L331p Swalmen)
|
Zie afbeelding 2.9. [JG 1a, 1b]
I-9
|
| 26147 |
muilband |
buitenring:
būtǝreŋk (L331p Swalmen),
toet:
tūt (L331p Swalmen)
|
Brede, ijzeren band om het uiteinde van de naaf die voorkomt dat er aarde en modder op het aseinde terechtkomt. De muilband heeft soms een rechthoekig uitgekapte opening die afgedekt wordt met een klepje. Door de opening kan men de luns uit de as trekken zodat het wiel van de as kan worden verwijderd, bijvoorbeeld wanneer de as gesmeerd moet worden. Zie ook afb. 214. [N G, 43c; N 17, 60a; JG 1a; JG 1b; Vld.; div.]
II-11
|
| 33066 |
muilband, bovenste band van de schoof |
bovenste band:
bø̄vǝrstǝ [band] (L331p Swalmen),
kruisband:
krȳts[band] (L331p Swalmen)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''garveband'' (4.6.9). Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) band het lemma ''garveband'' (4.6.9). [N 15, 22b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|