| 20923 |
mossel |
mossel:
moeschəl (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
mossel [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20839 |
mosterd |
mosterd:
mostərd (L331p Swalmen)
|
mosterd [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 21263 |
motor |
moter:
mo.tər (L331p Swalmen)
|
motor [RND]
III-3-1
|
| 21264 |
motorfiets |
stoomfiets:
štô.ûmfitš (L331p Swalmen)
|
motor [RND]
III-3-1
|
| 25130 |
motregen, fijne regen |
achterwaartse regen:
Nb. wel het bovenvermelde, wat betekent: regen uit t noorden, die gewoonlijk nog wat aanhoudt.
achter waartse rèènger (L331p Swalmen),
miezelregen:
miezelrèènger (L331p Swalmen),
moezel:
moezel (L331p Swalmen),
motregen:
mótrèènger (L331p Swalmen),
muggenpis:
mèùGgəpis (L331p Swalmen),
rijzel:
riezel (L331p Swalmen),
ziebelregen:
ziebelrèènger (L331p Swalmen),
zirmel:
zirmel (L331p Swalmen)
|
klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)] || motregen, stofregen [moef-, stief-, smook- naajersregen, stobber, mozel, mot, smies] [N 22 (1963)] || noorderstof, in de betekenis van motregen bij overigens droge atmosfeer; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25100 |
motregenen, licht regenen |
miezelen:
’t begint te miezelen (L331p Swalmen),
moezelen:
te moezele (L331p Swalmen),
’t begint te moeͅzelen (L331p Swalmen),
siebelen:
ziebele (L331p Swalmen),
ziebelen (L331p Swalmen),
’t begint te ziebelen (L331p Swalmen),
sprinkelen:
sjprinkələ (L331p Swalmen),
zirmelen:
te zirmele (L331p Swalmen)
|
beginnen te motregenen [te stieven, stiefregenen, mozelen, smossen, riezelen, ziebelen, zauwelen, netelen, zéémelen] [N 22 (1963)] || lichtjes regenen [sprenkelen, siebelen, zeiveren] [N 22 (1963)] || zeer weinig regenen, zodat de grond maar net nat is [spruikelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25664 |
mout |
mout:
mout (L331p Swalmen),
māǝt (L331p Swalmen)
|
Het op de eest of eestvloer gedroogde en eventueel geroosterde graan. Zie ook de semantische toelichting bij het lemma ''eesten''. [N 35, 20; L 1a-m; L 1u, 166; S 5; Jan 14d; monogr.]
II-2
|
| 25666 |
mouter |
mouter:
mǫwtǝr (L331p Swalmen),
moutmeester:
mǫwtmęjstǝr (L331p Swalmen)
|
De persoon die het brouwgraan tot mout verwerkt. In de grotere bedrijven ook de persoon die toezicht houdt over het moutpersoneel (Claessen, p. 3. 2). In L 210 en L 294 kent men geen aparte mouter, daar wordt het mouten door de brouwer zelf gedaan. [N 35, 24; monogr.]
II-2
|
| 25665 |
mouterij |
mouterij:
mǫwtǝri (L331p Swalmen)
|
Het gedeelte van de brouwerij of het bedrijf waar alle bewerkingen van het mouten plaatsvinden. [N 35, 23; monogr.]
II-2
|