| 23440 |
monstrans |
monstrans (lat.):
monstrans (L331p Swalmen)
|
Een monstrans, een gouden of zilveren, meestal zonvormig vaatwerk waarin de H. Hostie ter aanbidding wordt uitgesteld. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33922 |
mooi pratend het paard op de nek kloppen |
bekallen:
bǝkalǝ (L331p Swalmen)
|
[N 8, 103e]
I-9
|
| 25169 |
mooi, helder weer |
schoon weer:
sjoon (L331p Swalmen),
sjoon waer (L331p Swalmen)
|
mooi weer zijn, gezegd van het weer [weren] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33809 |
moorkop |
moorkop:
mōrkǫp (L331p Swalmen),
zwartschimmel:
zwartšømǝl (L331p Swalmen)
|
Paard met zwarte kop, manen en staart, terwijl de romp vele witte haren tussen de bruine onderkleur heeft. Het wordt muisvaal of vaalblauw geboren, maar wordt in het eerste levensjaar al zwart. [N 8, 63f]
I-9
|
| 20521 |
moot vis |
stuk vis:
stök(vés) (L331p Swalmen)
|
moot; Hoe noemt U: Een snede vis (moot, mook) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19356 |
mopperen |
grozen:
graze (L331p Swalmen),
knoteren:
Van Dale: knoteren, 2. mopperen, pruttelen.
knotere (L331p Swalmen),
pruttelen:
pruttele (L331p Swalmen)
|
binnensmonds mompelen, gezegd van iemand die kwade zin heeft [morren, mompelen, mommelen, mopperen] [N 87 (1981)] || zijn ontevredenheid kenbaar maken [mopperen, preutelen, bobbelen, foeteren, grutten, gruizen, grijzen, kijven, kekelen, mökkelen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25265 |
morgen, maat van ongeveer 8000 m2 |
morgen:
morge (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
de maat die een oppervlakte aangeeft van ongeveer 8000 vierkante meter [morgen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 23224 |
morgengebed |
morgengebed:
morgegebed (L331p Swalmen),
morgəgəbed (L331p Swalmen)
|
Het morgengebed, morgensgebed [merge-gebed, mergensgebed, mörge-gebed, mörreje-jebed?]. [N 96B (1989)] || morgengebed [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 17891 |
morsen |
knoeien:
knooje (L331p Swalmen),
knôoje (L331p Swalmen)
|
Morsen: met vuiligheid knoeien (morsen, mozen, mossen, mosselen, plorren, meggelen, mekkelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24603 |
mos (alg.) |
mos:
môs (L331p Swalmen),
WLD
môos (L331p Swalmen)
|
Mos: kleine, sierlijke, groene plantjes die groepsgewijze en in aanzienlijke hoeveelheid bij elkaar groeiend voorkomen (mos, smos, kwacht, kwocht). [N 92 (1982)]
III-4-3
|