| 21598 |
mompelen |
knoteren:
Van Dale: knoteren, 2. mopperen, pruttelen.
knotere (L331p Swalmen)
|
binnensmonds mompelen, gezegd van iemand die kwade zin heeft [morren, mompelen, mommelen, mopperen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 17758 |
mond |
mond:
mondj (L331p Swalmen),
mundj (L331p Swalmen),
munj (L331p Swalmen),
munt (L331p Swalmen)
|
mond [RND], [SGV (1914)] || Mond. Houd je mond toch [DC 01 (1931)] || monden [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17759 |
mond (spotnamen) |
muil:
Plat.
moel (L331p Swalmen)
|
Mond. Houd je mond toch [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 34207 |
mond- en klauwzeer |
mond- en klauwzeer:
monjtj ɛn klau̯wzēr (L331p Swalmen),
monjtj ɛn klǫuzēr (L331p Swalmen)
|
Een zeer besmettelijke ziekte, veroorzaakt dor een virus. De eerste verschijnselen zijn stijfheid, vermindering in de melk, hoge koorts, sterke speekselafscheiding. Daarna ontstaan er blaren op het slijmvlies van de mond en de tong, aan de spenen en tussen de klauwen. Ook inwendig kunnen blaren voorkomen. De grootste schade wordt veroorzaakt door allerlei bij- en naziekten zoals verwerpen bij drachtige dieren, zeer ernstige uierontstekingen, langdurige kreupelheden, klauwontstekingen en misvormingen van de klauwen, uitgebreide etteringen en longaandoeningen (Berns 1983, blz. 181). Zie ook het lemma ''mond- en klauwzeer'' in wbd I.3, blz. 484-486. De gegevens van A 48A, 21 zijn verwerkt in de aflevering over het kleinvee (wld I.12) in het lemma ''mond- en klauwzeer'' (1.1.7). [N 3A, 80a; monogr.] || Ziekte waarbij de mond en de klauwen van de varkens zijn aangetast; de dieren weigeren alle voedsel. Het is een besmettelijke ziekte. [N 76, 53; A 48a, 21; monogr.]
I-11, I-12
|
| 22684 |
mondharmonica |
mondmonica:
moͅndjmōnikā (L331p Swalmen),
monica:
monika, moneka (L331p Swalmen),
moonniekaa (L331p Swalmen)
|
Harmonica (zowel trekharmonica als mondharmonica). || Het muziekinstrument dat langs de mond op en neer bewogen wordt en waarop geluid gemaakt kan worden door blazen en zuigen [fiep, moelfiep, noeneke, mondharmonika, muziek]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 22681 |
mondstuk |
mondstuk:
moontjsjteuk (L331p Swalmen),
t - van mien träöt is kepot.
móndsjtök (L331p Swalmen)
|
Het mondstuk van een muziekinstrument [ammezuur, hap]. [N 90 (1982)] || Mondstuk.
III-3-2
|
| 29458 |
mondstuk van de kleimolen |
mondstuk:
monjtštøk (L331p Swalmen)
|
Opening onder in de kleimolen, waardoor de klei naar buiten werd gedrukt. In L 374 stond bij het mondstuk een arbeider, de zgn. klopper (klǫp\r), die telkens een stuk klei van de streng sneed en dit tot een bal klopte (Donkers, pag. 39). [monogr.]
II-8
|
| 25063 |
mondvol |
slok:
sjloek (L331p Swalmen)
|
de hoeveelheid vloeistof of voedsel die men in één keer in de mond kan nemen [mondvol, moffel] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 23222 |
monnik |
pater (lat.):
patər (L331p Swalmen)
|
monnik [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 24502 |
monnikskap |
monnikskap:
WLD
monnikskáp (L331p Swalmen),
paterskap:
paterskap (L331p Swalmen)
|
Monnikskap (aconitum napellus). De bloemen zijn licht- of donkerblauw, soms ook wit of blauw met wit, groeien in dichte trossen. De wortel bestaat uit twee aaneen gegroeide bietvormige delen. De gehele plant is zeer vergiftig, voor de mens zelfs de honing [N 92 (1982)]
III-4-3
|