| 19100 |
moeite |
moeite:
meutje (L331p Swalmen)
|
moeite; hij geeft zich moeite [DC 03]
III-1-4
|
| 33700 |
moeras |
broek:
brōk (L331p Swalmen),
zomp:
zomp (L331p Swalmen)
|
Waterachtig, laaggelegen, drassig land, broekland, gebied zonder behoorlijke afwatering. [N 27, 20; N 14, 53; N 6, 33b; R 3, 9; A 2, 57; RND 20; Wi 17; Wi 54; L 19B, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 24683 |
moerasspirea |
waterbloem:
waterbloom (L331p Swalmen)
|
Moerasspirea (spireae (filipendula) ulmaria 50 tot 120 cm groot. De bladeren zijn geveerd met grote 3-delige eindlob, de steunbladeren zijn groot, aan de onderkant vaak witviltig; de bloemen groeien in grote, dichte trossen, 5-tallig, geelacht wit van k [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 31532 |
moersleutel |
schroevensleutel:
šru.vǝšlø̜tǝl (L331p Swalmen)
|
In het algemeen een werktuig voor het los- en vastdraaien van moeren. Zie ook de lemmata "steeksleutel", "ringsleutel", "verstekbare moersleutel", etc. Het betreft daar meer specifieke uitvoeringen van de moersleutel. [N 33, 300a; monogr.]
II-11
|
| 33556 |
moestuinx |
hof:
hōͅf (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
moeshof:
mōshōͅf (L331p Swalmen)
|
[DC 03 (1934)] [N 05A (1964)] [SGV (1914)]
I-7
|
| 20596 |
moezen |
tot moes koken:
toet moos kaoke (L331p Swalmen)
|
moes worden; Hoe noemt U: Tot moes koken (moezen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18269 |
mof |
mof:
moef (L331p Swalmen)
|
mof, koker van bont waarin met beide handen steekt [mof, moef, sjtoek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33902 |
mok |
gespleten hoeven:
gǝšplētǝ hōvǝ (L331p Swalmen
[(een gevolg van de ziekte)]
),
mot:
mūt (L331p Swalmen),
weke hoeven:
węi̯kǝ hōvǝ (L331p Swalmen
[(duidt op natte mok)]
)
|
Eczeem of huidontsteking in de kootholte van het paard. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen natte en droge mok. De ontsteking ontstaat veelal door inwerking van vocht, het langdurig lopen op modderwegen en het staan op vuil en nat strooisel. Eerst ontstaan huidzwellingen, later zweertjes waaruit vocht komt dat tot korsten opdroogt of etterachtig wordt. De ziekte kan van langdurige aard zijn en tot kreupelheid leiden. [A 48A, 15; N 8, 90d, 90e en 90k; N 52, 32a; monogr.]
I-9
|
| 18873 |
mokken |
brokken:
broeke (L331p Swalmen),
bronken:
brónke (L331p Swalmen),
hokken:
hokkə (L331p Swalmen),
mokken:
môeke (L331p Swalmen)
|
misnoegd en wrevelig zijn, maar dat niet ronduit zeggen [tornen, mokken, grimmen, pratten, pruilen, grijzen] [N 85 (1981)] || pruilen [SGV (1914)] || pruilen [pratte, nen troesmond zette, lippe] [N 10a (1961)]
III-1-4
|
| 32858 |
mol |
mol:
mo.l (L331p Swalmen),
molle:
molǝ (L331p Swalmen)
|
Het in de grond levend, zwart zoogdier iets groter dan een muis dat de molshopen opwerpt; het heeft een spitse snuit en graafklauwen: Talpa europaea. Hoewel niet alle mollesoorten blind zijn, wordt de mol algemeen voor blind gehouden. De boeren beschouwden het als een schadelijk dier op hun cultuurgrond, dat bestreden moest worden; bovendien was het bont van de mol gewild. Zie ook de toelichting bij het lemma ''molshoop''. Om de vergelijking van de lemma''s ''mol'' en ''molshoop'' te vergemakkelijken en daar in enkele streken hetzelfde woord voor mol en molshoop voorkomt, is ook hier het woord in z''n geheel gedocumenteerd en is zoveel mogelijk dezelfde volgorde in de woordtypen en de varianten aangehouden. In kaart 3 is door middel van toegevoegd zwart in een symbool of door een combinatie van symbolen aangegeven waar de woorden voor mol en molshoop identiek zijn. In kaart 4 is aangegeven waar het algemeen Nederlandse type mol het dialektwoord aan het vervangen is. [N 14, 80b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 18, 12; A 7, 6; L 1 a-m; L 1u, 165; L 3, 7; L 14, 10; L 16, 3; L B2, 311; L A1, 228; S 24; R 3, 21; Gwn 6, 9; add. uit RND 48 en 84; monogr.]
I-3
|