| 19535 |
lemmer |
snijblad:
sjnie blāāt (L331p Swalmen)
|
snijblad van een mes (lemmer, lemmet) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 17643 |
lende |
lende:
linje (L331p Swalmen),
linjə (L331p Swalmen)
|
lendenen [SGV (1914)] || lendenen [lenge, leene, leende] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25627 |
leng |
knets:
knɛtš (L331p Swalmen)
|
Leng is een ziekte in het brood veroorzaakt door de "lengbacil". De leng openbaart zich allereerst door een onaangename zoete geur tezamen met een verkleuring en kleverig worden van de kruim van het brood (Schoep blz. 117). Werkt de leng door dan wordt de verkleuring groter, de kruim wordt kleveriger en de geur wordt zeer onaaangenaam. Breekt men het brood door, dan ziet men bruine kleverige draden tussen de afgebroken delen. Het brood is dan niet voor consumptie geschikt. Bij normale omstandigheden van vocht en temperatuur kan de leng-bacil zich niet ontwikkelen. In de zomermaanden is het ontstaan van leng het meest voor de hand liggend. Zo snel mogelijke afkoeling van het brood en het bewaren op een koele luchtige plaats bestrijdt doelmatig het euvel van de leng (Schoep blz. 147). Het lemma bestaat uit verschillende grammaticale categorieën. [N 29, 72; N 29, 68a; monogr.]
II-1
|
| 17558 |
lenig |
gezwank:
gezjwank (L331p Swalmen)
|
lenig [zwak, gezwak] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24895 |
lente, voorjaar |
lente:
lintjə (L331p Swalmen)
|
lente [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 34357 |
lepbig |
zoeteling:
zø̄tǝleŋ (L331p Swalmen)
|
Een big die met koemelk wordt grootgebracht. [N 19, 15; N 19, 16; monogr.]
I-12
|
| 18955 |
lepe, doortrapte kerel |
lage vent:
laege vent (L331p Swalmen),
vieze, een -:
vîeze (L331p Swalmen),
vuilak:
vôelik (L331p Swalmen)
|
een doortrapte kerel [fijnaard, fijne, leperd] [N 85 (1981)] || zeer bedreven in het kwaad of in het kwaaddoen en daarbij zeer sluw [slim, glad, hel, leep, doortrapt] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19553 |
lepel |
lepel:
laepel (L331p Swalmen),
lèpel (L331p Swalmen)
|
lepel [DC 35 (1963)] || lepel in het algemeen (lepel, lippel, leeper) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 31924 |
lepelboor |
lepelboor:
lē̜pǝlbǭ.r (L331p Swalmen)
|
Boorijzer voor hout met een lepelvormig uiteinde. Het snijvlak van de boor is half bolvormig. Zie ook afb. 74b. De lepelboor wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De wagenmaker boort er onder meer de voorgeboorde naven van karwielen verder mee uit zodat daar vervolgens de naafbus in geplaatst kan worden. [N 33, 329; N 53, 162a; N G, 31c; monogr.]
II-12
|
| 19556 |
lepelrek |
lepelenrek:
laepelerek (L331p Swalmen)
|
rekje aan de wand waarin lepels worden bewaard [N 20 (zj)]
III-2-1
|