| 22749 |
leeuw |
leeuw:
leeuw (L331p Swalmen),
leew (L331p Swalmen)
|
leeuw [SGV (1914)] || Leeuw (Panthera leo).
III-3-2
|
| 20110 |
leeuwenbek |
leeuwenbek:
leeuwebek (L331p Swalmen),
WLD
leewebék (L331p Swalmen)
|
Leeuwenbekje (antirrhinum majus). De onderste bladeren staan bijna altijd kruisgewijs, de bovenste verspreid. Grote (ruim 3 cm), verschillend gekleurde bloemen met korte, brede kelkbladeren. De bloemen staan in trossen aan de stengeltoppen (kalfssnuit, kn [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 33883 |
leewater |
leewater:
lēwātǝr (L331p Swalmen),
veulensziekte:
vø̄lǝsziktǝ (L331p Swalmen)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
gust gebleven (bijvgl. nmw.):
gø̜s gǝblēvǝ (L331p Swalmen),
schot:
šǫt (L331p Swalmen)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
liggə (L331p Swalmen)
|
leggen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 29060 |
legger |
ligger:
legǝr (L331p Swalmen),
peesklap:
pēsklap (L331p Swalmen)
|
Een veel voorkomende zwelling of slijmbeursje van verschillende grootte aan de achterkant van de elleboog. Ze ontstaat door de druk van de kalkoenen der voorijzers op het gewricht, als het dier over een te kleine ligplaats beschikt en daardoor met de borst op de onder het lijf getrokken voeten ligt. De legger is een schoonheidsfout, die bij het lopen niet hindert maar wel pijnlijk kan zijn. [N 8, 32.1, 90d, 90f en 90g; monogr.]
I-9
|
| 33409 |
legnest |
est:
ęs (L331p Swalmen),
hoenderest:
hōndǝręs (L331p Swalmen),
legest:
leqęs (L331p Swalmen),
lęqęs (L331p Swalmen)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
lei (L331p Swalmen)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34147 |
leiden |
winnen:
wenǝ (L331p Swalmen)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 24570 |
lelietje-van-dalen |
lelietje-der-dalen:
lelietjes der dalen (L331p Swalmen)
|
Lelietje van Dalen (convallaria majalis). Een10 tot 25 cm grote plant met kruipende wortelstok, bladeren meestal 2, elliptisch, de bloeistengel is onbebladerd; de bloemen bevinden zich in eenzijdige trossen, klokvormig met 6 tandjes, wit gekleurd en geure [N 92 (1982)]
III-4-3
|