| 19391 |
ledikant |
bed:
bêd (L331p Swalmen)
|
Verplaatsbaar bed (i.p.v. een bedstee) (bed, krib, ledikant) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 22416 |
leefnet |
kaar:
kaar (L331p Swalmen),
leefnet:
lɛ̄fneͅt (L331p Swalmen)
|
Het net waarin men vissen die met de hengel zijn gevangen levend kan houden [leefnet, kaar]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20953 |
leeg, gezegd van een noot |
doof:
dōūf (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
WLD
daof (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
leeg, gezegd van een noot waar niets in zit (leeg, doof, loos). [N 82 (1981)]
I-7, III-2-3
|
| 24973 |
leeg, niets bevattend |
leeg:
laeg (L331p Swalmen),
laig (L331p Swalmen),
lééch (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
leeg (ijdel, ijl, laas) [DC 03 (1934)] || niets bevattende, gezegd van bijv. een fles, een kan, een kopje, een vertrek etc. [leeg, ijdel, ijl] [N 91 (1982)] || waar niemand aanwezig is, leeg [wepel, verlaten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18920 |
leegloper |
leegloper:
lééglèùper (L331p Swalmen),
lêgleu[i̯}pər (L331p Swalmen),
vuilik:
voelik (L331p Swalmen)
|
een persoon die zonder iets te verrichten en zonder bezigheden rondloopt [leuteraar, leegloper] [N 85 (1981)] || leeglooper [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 19365 |
leep, doortrapt |
doortrapt:
doortrap (L331p Swalmen),
laag:
lééch (L331p Swalmen)
|
oneerlijk, achterbakse slinkse streken [linken, slenters, slingers, slenders, list, draaiers] [N 85 (1981)] || zeer bedreven in het kwaad of in het kwaaddoen en daarbij zeer sluw [slim, glad, hel, leep, doortrapt] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21593 |
leerling |
leerling:
leerling (L331p Swalmen),
schoolkind:
sjoolkindj (L331p Swalmen)
|
de persoon [meestal een kind] dat onderwijs krijgt [leerder, leer] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 30796 |
leerlooier |
looier:
lø̄jǝr (L331p Swalmen)
|
Persoon die huiden bereidt tot leer door looiing. [S 22; monogr.]
II-10
|
| 22017 |
leervlucht |
africhten (ww.):
aafrichte (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men / hoe noemt men in Uw dialect: een georganiseerde vlucht om jonge duiven te leren [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 30861 |
leest |
leest:
lę̄jst (L331p Swalmen)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|