| 32627 |
kunstmest strooien |
(kunstmest) strooien/strouwen:
štrø̜i̯ǝ (L331p Swalmen),
(kunstmest) zaaien:
zɛi̯ǝ (L331p Swalmen),
gooien:
gōi̯ǝ (L331p Swalmen)
|
Het strooien van kunstmest over het land gebeurt met de hand of met een machine. Voor beide zijn de benamingen meestal identiek. Slechts waar er voor het strooien met de hand en het machinaal strooien verschillende benamingen bestaan, wordt dit in het lemma aangegeven door "met de hand", resp. "machinaal" achter het plaatsnummer. [N 11, 24; N 11A, 63a + 64a + 65a; N P, 10a + b; JG 1b add.]
I-1
|
| 32629 |
kunstmeststrooier |
kunstmeststrouwer/-strooier:
[kunstmest]štrø̜i̯ǝr (L331p Swalmen)
|
Bedoeld wordt de machine waarmee kunstmeststoffen gelijkmatig over het land worden verspreid. Voor het (...)-gedeelte van de betrokken varianten hieronder zie men de lemmata kunstmest en stalmest. [N P, 9; N 11A, 65b]
I-1
|
| 33950 |
kussenleder |
kussenleer:
kø̜sǝlē̜r (L331p Swalmen),
leren binnenwerk:
lē̜rǝ bø̜nǝwɛrǝk (L331p Swalmen)
|
Leren bekleding van de haamkussens. [N 13, 4; N 36, 17]
I-10
|
| 19632 |
kussensloop |
kustijk:
køstēk (L331p Swalmen)
|
kussensloop [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 18869 |
kwaad weglopen |
afnokken:
âafnòkke (L331p Swalmen)
|
kwaad weglopen [horsen, hoorsen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33842 |
kwaadaardig roepen |
kweken:
kwēkǝ (L331p Swalmen)
|
[N 8, 47 en 67]
I-9
|
| 19314 |
kwaadspreekster |
kwats:
kwètsj (L331p Swalmen),
waswijf:
waswief (L331p Swalmen)
|
een vrouw die graag kwaad spreekt [kwadetong, vuiletong, kommeer, blameer, klapei] [N 85 (1981)] || klappei [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18981 |
kwaadspreker |
kwaadspreker:
kwoadsprêkər (L331p Swalmen)
|
kwaadspreker [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 17983 |
kwaal |
kwaal:
kwaol (L331p Swalmen),
ongezond:
ôongezôônjt (L331p Swalmen)
|
Kwaal: langdurige of telkens terugkerende ziekte (kwaal, klets, muik). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24366 |
kwabaal en puitaal |
aalskuit:
aolskōēt (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u de puitaal: een levendbarende beenvis. Komt voor in zout water. De rug is bruinachtig en de onderzijde roodachtig. Op de rug en op de flank ligt een rij zwarte vlekken. Hij wordt tot 60cm lang (aalskwab, magaal, lomp, aalkwab, kwab, puit) [N 83 (1981)]
III-4-2
|