| 17582 |
kuif |
kuif:
kōēf (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
kôêf (L331p Swalmen)
|
kuif [N 10 (1961)] || kuif: de opstaande vederbos boven op de kop van een vogel (kuif, rap, tuil) [N 83 (1981)]
III-1-1, III-4-1
|
| 24199 |
kuifleeuwerik |
kuifjesliewerk:
kuufkesleeuwerk (L331p Swalmen),
kuifliewerk:
koefleeuwerk (L331p Swalmen),
koefleewerk (L331p Swalmen),
landliewerk:
la.ndjleewe.rk (L331p Swalmen),
lantjleewerk (L331p Swalmen)
|
kuifleeuwerik || leeuwerik: kuifleeuwerik (17 overal op open plekken bij woningen aan buitenrand van dorp en stad; puntkuifje; trekt niet; totaal niet schuw; roep [tie-rie-rieuw]; nogal zachte zang [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24200 |
kuifmees |
bijenvreter:
bieëvrèter (L331p Swalmen)
|
kuifmees (11,5 grijze kop met kuifje; alleen in mast- en sparrenbossen; nest vaak in oud eekhoornnest; roep [bi-bi-bi-brr-brr-brr]; zang heel zacht en miesperend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17606 |
kuiltje (in de kin / wangen) |
kuiltje:
kuulke (L331p Swalmen),
kûûlke (L331p Swalmen)
|
Kuiltje in de wang: een kuiltje in de wang, bijv. als men lacht (putje). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 32341 |
kuip |
kuip:
kȳp (L331p Swalmen)
|
In het algemeen een wijd vat, meestal van hout, van boven open en daar ook iets wijder dan aan de onderzijde. [N E, L; S 19; L 1a-m; L 17, 18a; monogr.]
II-12
|
| 32246 |
kuiper |
kuiper:
kȳpǝr (L331p Swalmen)
|
Vakman die houten kuipen, vaten en tonnen vervaardigt. [A 32, 10; S 20; L 1a-m; L 29, 13; monogr.]
II-12
|
| 20463 |
kuis, ingetogen |
zuiver:
zuuver (L331p Swalmen)
|
kuis; rein van zeden; maagdelijk; ingetogen; zich onthoudend van zinnelijk genot [kuis, kies, zuiver] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 17773 |
kuit |
gritselkuit:
gritzelkuut (L331p Swalmen),
kuit:
kuut (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen),
WLD
kuut (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u de eierstokken met eieren of de afgezetten massa eieren van vrouwelijke vissen (kuit, kiet, schot, zaad, schodder, krellekeskuit) [N 83 (1981)] || kuit [SGV (1914)] || kuit (ve vis) [SGV (1914)] || kuit (wade) [DC 01 (1931)]
III-1-1, III-4-2
|
| 19015 |
kundig |
kundig:
kunjig (L331p Swalmen)
|
kundig [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 32624 |
kunstmest |
kunstmest:
kø.ns[mest] (L331p Swalmen)
|
Onder kunstmest worden meststoffen verstaan, die - anders dan stalmest, compost, groenmest, gier e.d. - geen organische stoffen bevatten, maar kunstmatig, langs chemische weg bereid zijn. Van de opgesomde woordtypen lijken de meervoudsvormen de veelheid van kunstmestsoorten tot uitdrukking te brengen. Of en waar de woordtypen vette(n) en vreemde vette(n) als enkelvouds- dan wel als meervoudsvormen moeten worden opgevat, kon uit het materiaal niet worden opgemaakt. Met de typen gemengelde stoffen en alle mest ondereen wordt wellicht de zgn. mengmest of samengestelde kunstmest bedoeld, waarin zowel N (stikstof), als P (fosfor) en K (kali) voorkomen. Voorzover met een kunstmestterm uit deze opsomming een bepaalde soort kunstmest wordt (werd) aangeduid, is daarvan achter het nummer van de betreffende plaats melding gemaakt. Voor het (...)-gedeelte van de varianten hieronder zie men het lemma (stal)mest. [JG 1a + 1b + 1c; JG 2b - 4, 8; JG 2c; N 11, 23 + 24; N 11A, 61; N P, 9 + 10]
I-1
|