| 17894 |
krommen, ombuigen |
buigen:
buige (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
krommen:
krommə (L331p Swalmen),
ombuigen:
umbeuigə (L331p Swalmen)
|
krommen [SGV (1914)] || Krommen: een kromme, gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien). [N 84 (1981)] || ombuigen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 31349 |
krompasser |
krompasser:
krompɛsǝr (L331p Swalmen)
|
Passer met kromme benen waarmee de dikte van voorwerpen kan worden gemeten. Er bestaan twee uitvoeringen van de krompasser: één met veer en stelschroef en één met een scharnierpunt dat voldoende stroef is om de twee benen, na het uitzetten van de vereiste afmeting, in die stand vast te houden. De benen van de krompasser met stelschroef kunnen met een kartelmoer worden gefixeerd. Zie ook afb. 82. [N 33, 252c; N 64, 80b; N 66, 1b]
II-11
|
| 23381 |
kroonluchter |
kroonluchter:
kroonluchter (L331p Swalmen)
|
Een veelarmige lamp in de kerk, luchter, kroonluchter. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 26454 |
kropgat |
krop:
krǫp (L331p Swalmen),
kropgat:
krǫp˲gā.t (L331p Swalmen),
kweernoog:
kwę̄rǫwx (L331p Swalmen)
|
Het gat dat zich midden in de loper bevindt en waarin het te malen graan loopt. Kweern in het woordtype kweernoog (l 331) verwijst naar de in die plaats gebruikelijke term voor de handmolen. Zie het lemma ɛhandmolenɛ.' [N O, 18o; A 42A, 35; N D, 8; Sche 53; Vds 129; Jan 128; Coe 93; Grof 119; N O, 18h]
II-3
|
| 20591 |
kroppen, gezegd van voedsel |
schurgen:
sj⁄èùrgə (L331p Swalmen),
wurgen:
wurgə (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt U: In de slokdarm blijven steken, gezegd van een hap voedsel (kroppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20658 |
kruiden, specerijen |
gekruiden:
gekruuje (L331p Swalmen),
WLD
gekrûûje (L331p Swalmen)
|
De kruiden die bij de bereiding bij groente of vlees gevoegd worden om de smaak van het gerecht te verbeteren, in het algemeen (kruid, toekruid, specerij). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 20055 |
kruidje-roer-me-niet |
kruidje-roer-me-niet:
kruidje roer me niet (L331p Swalmen)
|
Kruidje-roer-me-niet (Mimosa pudica L.) [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 20805 |
kruidnagel |
kruidnagel:
kroednegəl (L331p Swalmen)
|
kruidnagel [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 23336 |
kruidwijding |
kruidwijden:
kroetwien (L331p Swalmen)
|
O.L. Vrouw Kruidwijding [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 22580 |
kruidwis |
els:
els (L331p Swalmen),
kruidwis:
kroedwès (L331p Swalmen),
kroetwusj (L331p Swalmen),
Ss. kroedwèskroed: kruid voor de kroedwès.
kroedwès (L331p Swalmen),
wormbloem:
wormbloom (L331p Swalmen)
|
Bos kruiden en veldbloemen (spec. wórmblome en aels), gezegend in de kerk en in huis opgehangen ter bescherming tegen onheil (vooral bliksem werd bij onweer gedeeltelijk in de kachel verbrand. || Hoe heeten de kruiden, die gezegend worden? [SGV (1914)] || kruidwis [N 06 (1960)]
III-3-2, III-3-3
|