| 24197 |
kramsvogel |
sjakker:
sjakker (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen)
|
kramsvogel || kramsvogel (25 groter dan koperwiek [021]; vaak in diens gezelschap; heeft grijze kop en stuit; ook alleen wintervogel; roep [tjak-tjak-tjak] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 21342 |
krant |
gazet (<fr.):
gezet (L331p Swalmen),
gəzet (L331p Swalmen)
|
een dagelijks verschijnend drukwerk ter verspreiding van nieuws en wetenswaardigheden en tot voorlichting van het publiek [gazet, krant, courant, journaal, dagblad] [N 87 (1981)] || krant [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 31340 |
krasblok |
kratsblok:
krats˱blǫk (L331p Swalmen)
|
Kraspen op een voetstuk. Het krasblok wordt gebruikt wanneer een nauwkeurige aftekening op het materiaal noodzakelijk is. Het krasblok wordt met zijn voet rustend op het werkblad langs het werkstuk geschoven, waarbij de scherpe punt van het werktuig een lijn trekt. Zie ook afb. 72. Het woordtype traskê (Q 5) is merkwaardig. Mogelijk betreft het hier een afleiding van het Franse werkwoord ɛtracerɛ met het Waalse deminutiefsuffix ɛ-kê ɛ(Frans ɛ-quinɛ). Vgl. ook de inleiding van Wld II.5, pag. XV, waar twee vergelijkbare vormen ɛs√ªkêɛ, "storing, dislokatie", eig. "drempeltje" en ɛbeurkêɛ, "tussenschacht", eig. "kleine schacht" worden besproken.' [N 33, 347]
II-11
|
| 31339 |
kraspen |
kratspin:
kratspe.n (L331p Swalmen)
|
In het algemeen een werktuig waarmee de metaalbewerker de afmetingen van een werkstuk op het plaatmateriaal aftekent. Het bestaat doorgaans uit een spitse stalen of koperen stift die soms in een houten heft gevat kan zijn. Zie ook afb. 71. [N 33, 245; N 64, 82a; N 64, 82c; monogr.]
II-11
|
| 25034 |
krassen |
kratsen:
kratse (L331p Swalmen),
kratsə (L331p Swalmen),
krátse (L331p Swalmen)
|
het geluid geven van een scherp voorwerp dat over een hard oppervlak schraapt [skratsen, krassen, kratsen] [N 91 (1982)] || krassen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 21031 |
kreeft |
kreeft:
krêft (L331p Swalmen)
|
kreeft [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 24954 |
kreek, stilstaand water |
slenk:
sjlink (L331p Swalmen)
|
kreek, klein, smal, veelal stilstaand water, vaak een overblijfsel van een overstroming of van de vroegere loop van een rivier [kil] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24339 |
krekel |
krekel:
[ ? krak\\l - moeilijk leesbaar]
kreekəl (L331p Swalmen)
|
krekel [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 18107 |
krentenbaard |
krentenbaard:
krintebaard (L331p Swalmen)
|
Uitslag, zweertjes op de lippen en de kin (krentenbaard, baardziekte). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20708 |
krentenbol |
krentenbroodje:
krintebreudje (L331p Swalmen)
|
Krentenbroodje, krentenbol (krintenbol, briosj, krennee, krennie?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|