| 18339 |
kous met knoopjes |
slobkous:
sjlopkouse (L331p Swalmen)
|
kousen met knoopjes die over de gewone kousen worden gedragen [slopkouse, sjlopehaoze, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18195 |
kous: algemeen |
kous:
koas (L331p Swalmen),
n kousen]:
hāōs (L331p Swalmen)
|
kous [SGV (1914)] || kous, lange beenbekleding [haos, hous, sjtrump [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18179 |
kousenband |
bindel:
binjel (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
(m.). (mv.: binnjele of binnjels).
binnjel (L331p Swalmen),
kousenbindel:
kousebinjel (L331p Swalmen)
|
kousenband [N 07 (1961)] || kousenband om het bovenbeen [bendel, binjel haozebendel, ongerbinjel, kousenbendel] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18793 |
kousenmand |
stopmandje:
sjtopmendje (L331p Swalmen)
|
mand; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-1-3
|
| 18794 |
kousenwol |
sajet:
sajet (L331p Swalmen)
|
Wollen garen voor het breien van kousen (saai, sajet) [N 79 (1979)]
III-1-3
|
| 19621 |
kouter |
kouter:
kǫu̯.tǝr (L331p Swalmen)
|
Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.]
I-1
|
| 32645 |
kouterslot |
kouterslot:
kǫu̯.tǝršlō˱.t (L331p Swalmen)
|
Soms werd het kouter, als de ploeg op het veld bleef staan, tegen diefstal beveiligd met een slot. Dit gebruik was echter verre van algemeen bekend. Wel bekend, doch met onbekende benaming, was het slot in L 290. In Q 162 werd het kouter ter plaatse in de grond verstopt. Als slot kon dienen een stang evenwijdig aan de ploegbalk, een hangslot, een band, beugel of ring. [N 11, 37; N 11A, 140c]
I-1
|
| 19231 |
kouwe drukte |
bohei (rh.):
behéj (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
koude kak:
kààje-kôok (L331p Swalmen)
|
drukte maken voor niets [N 85 (1981)] || drukte voor niets, kouwe drukte [bezwaai, pehaai, poehaai, behaai] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 34491 |
kraaien, gezegd van de haan |
kraaien:
krɛi̯ǝ (L331p Swalmen)
|
[N 19, 49; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 17562 |
kraakbeen |
knoers/knors:
knors (L331p Swalmen)
|
kraakbeen [SGV (1914)]
III-1-1
|