| 34220 |
koptouw |
kopzeel:
kǫpzɛi̯l (L331p Swalmen)
|
Touw aan de horens van een koe. [N 3A, 14a]
I-11
|
| 34200 |
kopziekte |
kopziekte:
kopziekte (L331p Swalmen)
|
Door de overgang van de stal naar de weide treden stoornissen op in het maagdarmkanaal na plotselinge opname van grote hoeveelheden eiwit uit het jonge gras. Kopziekte komt vooral in het voorjaar voor. Bij een acuut verloop is er een potselinge aanval van krampen, waarbij alle ledematen, hals, hoofd, ogen en oren betrokken zijn. De opeenvolgende krampgolven nemen in hevigheid toe, totdat de dood volgt door een hartkramp (Berns 1983, blz. 137). Door de boeren wordt kopziekte vaak verward met melkziekte. Het zijn allebei zogenaamde deficiëntieziekten: bij kopziekte gaat het dan om een gebrek aan magnesium, bij melkziekte aan calcium. Zie ook het lemma ''kopziekte'' in wbd I.3, blz. 474-475.' [N 3A, 79; A 48A, 3; monogr.]
I-11
|
| 33964 |
kordeel, hotlijn |
hotlijn:
hǫtlīn (L331p Swalmen),
leis:
leis (L331p Swalmen),
touwtje:
tø̜i̯kǝ (L331p Swalmen)
|
Riem die of touw dat aan de korte teugel (cf. lemma Loenje) is vastgemaakt en door de voerman in de hand gehouden wordt. Als de voerman aan die lijn trekt, draait het paard naar links (haar), als hij er zachte rukjes aan geeft, draait het paard naar rechts (hot). Meestal wordt de gewenste richting van het paard echter vooral met commando''s aangegeven. [JG 1a, 1b; N 13, 29 en 32]
I-10
|
| 33092 |
korenmijt zetten |
zetten:
zetǝ (L331p Swalmen)
|
Het maken van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Het object van de overgankelijke werkwoorden is steeds: een korenmijt, of, kortweg, koren. [N 15, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 32536 |
korf |
korf:
kōrǝf (L331p Swalmen)
|
In het algemeen een uit wissen gevlochten en van een hengsel voorziene mand. Zie ook afb. 284. [N 20, 53; N 40, 37; monogr.]
II-12
|
| 24194 |
korhoen |
berkhoen:
bi.rkhoon (L331p Swalmen),
birkhoon (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
korhoen || korhoen (53 vrij zeldzame heidevogel; haan staalblauw, hen bruin en kleiner; houdt in het voorjaar pronkbijeenkomsten op een open plek op de hei [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
konkernolletje:
koekərnulkə (L331p Swalmen)
|
kornoelje [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 18604 |
korset |
korset (<fr.):
kersjet (L331p Swalmen)
|
korset, rijglijf om de taille [rijlief, rellif, relf, ruls, stiklijst, stiflijk] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20617 |
korst |
korst:
kors (L331p Swalmen)
|
korst; de harde buitenkant van kaas, brood, een pasteitje noemt men in het Nederlands korst. Gebruikt men dit in uw dialect ook? Zo ja, hoe wordt het uitgesproken? [DC 44 (1969)]
III-2-3
|
| 18330 |
kort schortlint |
vottensnoer:
vottesjneur (L331p Swalmen)
|
linten, korte ~ waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden [gatslinte, gatlinter] [N 24 (1964)]
III-1-3
|