| 24193 |
koperwiek |
fransmannetje:
fra.nsmenke (L331p Swalmen),
lijster:
līēster (L331p Swalmen)
|
koperwiek (21 lijkt op zanglijster [019], maar met rossige plek op zij en vleugel; alleen op trek en s winters, meestal in grote troepen; roep schril [srieieieie]; zachte zang [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 19582 |
kopje |
kopje:
køpkə (L331p Swalmen)
|
een kop koffie [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 22740 |
kopjeduikelen |
keukelen:
kūūkele (L331p Swalmen),
keukeluit schieten:
Vervoegde vormen zeer zeldzaam.
koekkeluitsjete (L331p Swalmen),
kopjekuitelen:
Zie koekeluitsjete.
köpkekutele (L331p Swalmen),
kopkuitelen:
Sub köpkekutele.
kopkutele (L331p Swalmen),
kuitelen:
Köpke -.
kutele (L331p Swalmen)
|
Buitelen, kopje duikelen. || duikelen, voorover vallen [stulpe, stölpe] [N 10 (1961)] || Kopje duikelen. || Kopjebuitelen, kopjeduikelen, een koprol maken.
III-3-2
|
| 33987 |
kopnet |
kopnetje:
kǫpnętjǝ (L331p Swalmen),
narrenkap:
narǝkap (L331p Swalmen)
|
Vliegennet dat alleen over het hoofd van het paard wordt gehangen. [JG 1a, 1b; N 13, 83a]
I-10
|
| 21944 |
koppel |
koppel:
koppel (L331p Swalmen)
|
Wat is de dialectbenaming voor: een paar? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 20368 |
koppelen |
koppelen:
koppele (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
koppelen; twee personen tot een huwelijk met elkaar brengen [lappen, koppelen] [N 87 (1981)] || Wat is de dialectbenaming voor: het bij elkaar zetten van duivers (doffers) en duivinnen? [N 93 (1983)]
III-2-2, III-3-2
|
| 33967 |
koppelteugel, koppelstang |
koppelstang:
kǫpǝlštaŋ (L331p Swalmen),
koppeltouw:
kǫpǝltǫu̯ (L331p Swalmen),
stang:
štaŋ (L331p Swalmen)
|
Verbinding tussen de bitten van de paarden van een tweespan, of teugel die het haam van het bijdehandse paard (het paard dat bestuurd wordt) met het bit van het vandehandse paard (het rechtse paard van een twee- of driespan) verbindt. [N 13, 36]
I-10
|
| 19325 |
koppig |
(het) gaat in de achterhaam:
(het) gaat in de achterhaam (L331p Swalmen),
koppig:
köppig (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
wars:
wéérs (L331p Swalmen)
|
[JG 1a; A 48A, 41a; N 8, 64h]koppig [SGV (1914)] || vasthoudend aan eigen wil of inzicht [koppig, steeg, kop] [N 85 (1981)]
I-9, III-1-4
|
| 19326 |
koppig zijn |
bokken:
boeke (L331p Swalmen)
|
koppig zijn, steeds vasthoudend aan eigen wil of inzicht [bokken, koppen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33929 |
kopriem |
frontriem:
frontrēm (L331p Swalmen),
ponyriem:
pǫnirēm (L331p Swalmen)
|
Evenals bij de halster is er aan het hoofdstel een kopriem. Bij de halster ligt de kopriem achter de oren van het paard, waar hij bij het hoofdstel vóór de oren over het voorhoofd van het paard loopt. Bij enkele opgaven is het vaak niet uit te maken of het om de vorm kieuwriem of kiefriem gaat. Gekozen werd voor de vorm kief. [JG 1a; N 13, 25]
I-10
|