| 23434 |
koorgestoelte |
koorbanken:
koorbenk (L331p Swalmen)
|
Het koorgestoelte: het geheel van zitplaatsen op/in het koor, meestal bestaande uit oplopende banken, bestemd voor monniken of kanunniken. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23541 |
koorhemd |
koorhemd:
koorhaemd (L331p Swalmen)
|
Het korte witte kleed dat de priester over zijn toog draagt [rochet, superplie, koorhemd?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18004 |
koorts |
koorts:
kors (L331p Swalmen),
korsə (L331p Swalmen)
|
koorts [RND], [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 23563 |
koorzanger |
zanger:
zenger (L331p Swalmen)
|
Een koorzanger, lid van het zangkoor [zenger, koeërzenger?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33806 |
koot |
koot:
kōt (L331p Swalmen)
|
Het korte been onmiddellijk boven de hoef, zowel van de voor- als achterpoot. 1Het is één van de belangrijkste lichaamsdelen van het trekpaard. Zie afbeelding 2.25. [JG 1a, 1b; N 8, 32.1, 32.2, 32.3, 32.7, 32.10, 32.14, 32.15 en 32.16]
I-9
|
| 29873 |
kop van de dakpan |
kop:
kǫp (L331p Swalmen)
|
De bovenkant van de pan met de uitstulping waarmee deze over de panlat gehaakt kan worden. [monogr.]
II-8
|
| 33063 |
kop van de schoof |
kop:
kǫp (L331p Swalmen)
|
De bovenkant van de schoof, daar waar zich de aren bevinden. Zie afbeelding 7. [N 15, 21b; JG 1b]
I-4
|
| 33137 |
kopdorser |
hekeldorser:
hɛ̄kǝldǫrsǝr (L331p Swalmen),
hekelmachine:
hɛ̄kǝlmǝšin (L331p Swalmen)
|
Bij deze vroege gemotoriseerde dorsmachine werden de schoven met de aren (de kop van de schoof) naar voren in de machine geschoven. Het eigenlijke dorsen gebeurde in een trommel met ijzeren pinnen of tanden die doet denken aan een hekel. Zie afbeelding 12. [N 14, 6a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 21411 |
kopen |
kopen:
koo[u̯}pə (L331p Swalmen)
|
koopen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21644 |
kopergeld |
kopergeld:
kopergeldj (L331p Swalmen)
|
koperen of bronzen geldstukken [rode loop?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|