| 33812 |
koffievos, brandvos |
brandvoes:
brantjvus (L331p Swalmen),
koffievoes:
kofivus (L331p Swalmen)
|
Vospaard met donkerbruine of koffiekleurige vacht. [N 8, 63i en 63j]
I-9
|
| 25367 |
kogel |
kogel:
kōgǝl (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
kogeltje:
kīgǝlkǝ (L331p Swalmen)
|
Bedoeld is de kogel die met behulp van het ouderwetse schietapparaat wordt afgeschoten. De respondent van L 413 merkt op dat die enkel voor runderen wordt gebruikt, Zie ook de toelichting bij het lemma ''schietmasker''. [N 28, 5c; monogr.] || Het gewricht tussen pijp(been) en koot van een paard; ook bij een rund. Zie afbeelding 2.24. [N 8, 32.7, 32.15 en 32.16]
I-9, II-1
|
| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kaokə (L331p Swalmen),
koake (L331p Swalmen)
|
koken [DC 03 (1934)], [RND]
III-2-3
|
| 24189 |
kokmeeuw |
kapmeeuw:
kapmeeuw (L331p Swalmen),
meeuw:
meew (L331p Swalmen)
|
kokmeeuw (38 zeer bekend; witte vogel met s zomers bruinzwarte kop; in grote troepen op en rond allerlei water; in de stad ook daarvandaan; schreeuwerige vogel; vooral in de grote broedkolonies; aan Schelde en Maas komen nog meer, meest grotere soorten [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 34109 |
kol |
kol:
kǫl (L331p Swalmen)
|
Witte vlek op het voorhoofd van de koe. [N 3A, 135b]
I-11
|
| 24303 |
kolblei |
bliek:
bleek (L331p Swalmen),
WLD
bleek (L331p Swalmen)
|
De kolblei lijkt op de brasem maar is bleker van kleur (blei, bliek, kapmes, kalfoog, platte, platter) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 33888 |
kolder |
kolder:
kolder (L331p Swalmen)
|
Kolder (< lat. cholera) is een slepende, ongeneeslijke hersenaandoening, die aanleiding geeft tot stoornissen in de beweging en de bloedsomloop. De uiterlijke verschijnselen zijn: onhandelbaarheid, niet willen werken, een sufferig uiterlijk, het hoofd laag houden en de oren laten hangen, evenals een waggelende gang. Deze vorm van aandoening wordt stille kolder genoemd. Bij verergering van de ziekte wordt het paard wild, draait in het rond en slaat op hol. Dan spreekt men van razende kolder. [A 48A, 37; N 8, 90p; monogr.]
I-9
|
| 29541 |
kolen |
kolen:
kǭlǝ (L331p Swalmen)
|
Brandstof voor de oven. Coopman (pag. 71) onderscheidt de volgende soorten kolen: a. polies, b. strooigoed, c. boonen, d. fijnen. De polies, grote brokken kolen, vormden de brandstof in de stookgangen. Zie ook de lemmata ɛstukkoolɛ, ɛfijnkoolɛ en ɛkoolgruisɛ in wld II.5, pag. 215, 216. In Q 83 gebruikte men voor de veldoven goede Luiker kolen (guj lājk\r ku\l\). In de ɛjachtenɛ gooide men klotkolen, over de stenen strooide men steenkoolgruis. De ɛstukkoolɛ uit Q 121b moest klein gemaakt worden. Men zei dan: de kool moet geklopt werden (mot jeklǫpt wē\d\).' [monogr.; N 98, 115 add.]
II-8
|
| 19634 |
kolenschop |
kolenschup:
kǭlǝšøp (L331p Swalmen),
stookschup:
štǫakšø̜p (L331p Swalmen)
|
[monogr.]
II-8
|
| 31412 |
kolomboormachine |
kolomboormachine:
kolǫmbǭrmǝšin (L331p Swalmen)
|
Stationaire boormachine waarbij de boorhouder beweegbaar op een kolom gemonteerd is. Het werkstuk kan bij deze boormachine in een, vaak in hoogte verstelbare, boortafel worden vastgeklemd. De kolomboormachine wordt vooral voor zwaar en zuiver boorwerk gebruikt. Zie ook afb. 122. Het betreft daar een kolomboormachine die met de hand wordt aangedreven. [N 33, 123]
II-11
|