| 25224 |
koele wind |
windje:
winjtje (L331p Swalmen)
|
koele wind [koeltje] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33349 |
koestal |
koestal:
ku[stal] (L331p Swalmen)
|
De stal bestemd voor het rundvee. Soms zijn er voor ouder vee en kalveren aparte stalruimten. Meestal zijn de koestal en de kalverstal in één ruimte, die in zijn geheel "de koestal" wordt genoemd. Men kan de koestal echter ook opvatten als dat deel van de stal waar de koeien staan. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [N 5A, 33; N 5, 105g; JG 1a en 1b; A 10, 9a; L 38, 24; R (s]
I-6
|
| 34646 |
koets |
koets:
kutš (L331p Swalmen)
|
Vierwielig rijtuig met een vierkante gesloten kast voor een klein aantal personen. De kast hangt in riemen of rust op veren. De koetsier heeft een aparte bok. De koets is een van de meest bekende rijtuigen, vandaar dat "koets" ook vaak als algemene benaming voor het vierwielig rijtuig gebruikt wordt. [N 17, 5; N 101, 1-13; N G, 51; L 28, 24; L 36, 70; L A, 288; L 1a-m; S 18; Wi 18; Gi 3,IB; monogr]
I-13
|
| 21140 |
koets (alg.) |
koets:
koetsj (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
koetš (L331p Swalmen)
|
een vierwielig, geheel gesloten rijtuig, door een of meer paarden getrokken [koets, toegerij, toekoets] [N 90 (1982)] || koets [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 31201 |
koevoet, hefboom |
breekboom:
brē̜k˱bǫwm (L331p Swalmen),
domphout:
domphǫwt (L331p Swalmen)
|
IJzeren hefboom van 90 tot 120 cm lang die van onderen eindigt in een schuin uitstaande, gespleten klauw. De koevoet wordt gebruikt bij het verplaatsen van zware lasten, maar ook voor sloopwerk en om spijkers uit te trekken. Zie voor de woordtypen domphout (L 331) en domper (L 330) ook het Tegels woordenboek, pag. 81, s.v. ɛd√¥mpeɛ: "het optillen of verplaatsen van een zwaar voorwerp door middel van een hefboom, die men op een ondergeschoven blok of steen laat rusten."' [N 33, 240; N 33, 114; N 17, 81]
II-11
|
| 33340 |
koewachter, veeknecht |
herd:
hērt (L331p Swalmen),
koeherd:
kuhērt (L331p Swalmen),
koejong:
kujǫŋ (L331p Swalmen),
zweitser:
žwęi̯tsǝr (L331p Swalmen)
|
De zweitser is de boerenknecht die, vooral op grote boerderijen met minstens 10 koeien (L 246), speciaal belast is met het melken en de verzorging van het rundvee. Wanneer het bedrijf voor zo''n speciale knecht te klein is wordt de zorg voor de koeien toevertrouwd aan een koewachter (koeherd, koejong; in het zuiden koeter, vatsji), meestal een aankomende knecht, pas van school, die de beesten meeneemt naar de wegbermen om ze daar te laten grazen. Van een koeter en vatsji in West-Haspengouw wordt ook gezegd dat hij (of zij) ook karweitjes in huis verricht, bijvoorbeeld in de keuken; vergelijk Kruijsen (1990) en het lemma "(hard) werken op de boerderij" (1.3.10). Bij koeherd in Q 6 wordt aangetekend: "hij kreeg alleen de kost en de klompen als loon". Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht algemeen" (1.3.12). [N M, 1b; JG 1b, 2c; A 48, 18b; L 26, 32b; monogr.]
I-6
|
| 20864 |
koffie |
koffie:
koffie (L331p Swalmen)
|
koffie [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20588 |
koffiedik |
dras:
dras (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
koffiedik [DC 47 (1972)], [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 29604 |
koffiekannetje |
koffietuitje:
kufitø̜jtjǝ (L331p Swalmen)
|
Flesvormig, blauw gëmailleerd metalen koffiekannetje met beugelsluiting. [N 98, 13; monogr.]
II-8
|
| 19515 |
koffiepot |
koffiekan:
koffiekan (L331p Swalmen),
loeks:
wel
loekjs (L331p Swalmen)
|
luik, in de betekenis van grote koffiepot; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || pot waarin koffie wordt gezet [N 20 (zj)]
III-2-1
|