| 33237 |
knolvoer, rapen (coll.) |
kruid:
krūt (L331p Swalmen)
|
Rapen in het algemeen, als groenvoer of als ingekuild voer voor het vee gebruikt; herfstknollen. [N 12A, 4a; JG 1b, 2c; monogr.; add. uit N 11A, 29f en 29g; N 12, 40, N Q, 11a]
I-5
|
| 18262 |
knoop |
knoop:
kneu[i̯}p (L331p Swalmen),
knoo[u̯}p (L331p Swalmen),
knǫwp (L331p Swalmen)
|
knoop [SGV (1914)] || knoopen (mv.) [SGV (1914)] || Plat, rond schijfje of min of meer bolvormig voorwerpje van been, hout, metaal enz., dat aan kleding of andere gebruiksvoorwerpen wordt genaaid, hetzij als een middel om ze te doen sluiten of met een deel van hetzelfde of met een ander stuk te verbinden. [N 59, 135; N 62, 65a; Gi 1.IV, 48; Wi 5; S 18; MW; monogr.]
II-7, III-1-3
|
| 24723 |
knop waaruit twijg groeit |
knoop:
knoep (L331p Swalmen),
WLD
knôep (L331p Swalmen)
|
De knop waaruit scheuten of loten te voorschijn komen (loot, oog, knop). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 34337 |
knorren |
knorren:
knorǝ (L331p Swalmen),
knoteren:
knōtǝrǝ (L331p Swalmen),
knurren:
knø̜rǝ (L331p Swalmen),
rochelen:
roxǝlǝ (L331p Swalmen)
|
Het natuurlijke geluid van een varken. [N 19, 23; Wi 56; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 21825 |
knorren (wbd) |
hameren:
homere (L331p Swalmen)
|
zachtjes kreunen en knorren, gezegd van kleine kinderen die voldaan en tevreden zijn [grutten, kaaieren] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 19350 |
knorrepot |
brompot:
brompot (L331p Swalmen),
graspot:
graaspot (L331p Swalmen),
grauwelaar:
gràwelêêr (L331p Swalmen)
|
iemand die voortdurend ontstemd is en dat laat blijken [grijspot, gruis, grijsmanne-tje, knorrepot] [N 85 (1981)] || knorrepot [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 17880 |
knuppel, knots |
klats:
klàts (L331p Swalmen),
kluppel:
kluppel (L331p Swalmen),
kløpəl (L331p Swalmen),
kuis:
kūūs (L331p Swalmen),
prengel:
prengəl (L331p Swalmen)
|
Knots: zware stok om mee te slaan, van onderen dikker dan van boven (kuis, knots, knoest, klepel). [N 84 (1981)] || knuppel [RND], [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 22381 |
knutselen |
prutsen:
prutse (L331p Swalmen)
|
Allerlei kleine voorwerpen uit liefhebberij en met geringe hulpmiddelen maken [knutselen, kutselen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34058 |
koe |
koe:
ku (L331p Swalmen),
kȳi̯ (L331p Swalmen)
|
Volwassen vrouwelijk rund, in de regel een rund dat één of meerdere keren gekalfd heeft. Zie afbeelding 5. Op de kaart is het woordtype koe niet opgenomen. [JG 1a, 1b; A 3, 37; A 4, 11; Gwn V, 2a; L 1a-m; L 4, 37; L 5, 27b; L 7, 61b; L 14, 26 en 88; L 20, 11; L 27, 5 en 57; L 29, 44; L 38, 44; L 40, 21b; L 44, 16, 21a en 39; R 12, 29; R (s]
I-11
|
| 34066 |
koe die eenmaal heeft gekalfd |
eerste vaars:
ērstǝ vē̜rs (L331p Swalmen),
gekalfde vaars:
gǝkalfdǝ vɛrs (L331p Swalmen)
|
Zie afbeelding 6. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe''(3.3.1). [N C, 14a; monogr.]
I-11
|