| 23004 |
knikkerzakje |
kulsenbuidel:
kölsebujel (L331p Swalmen)
|
Knikkerzakje.
III-3-2
|
| 25601 |
knipbrood |
knipmik:
knepmek (L331p Swalmen)
|
Brood waarin met behulp van schaar of mes een gleuf is aangebracht. Voor de overige broodsoorten en producten van het bakken zij verwezen naar het deel "Algemene Woordenschat". [N 29, 44b; N 29, 44a; N 29, 43]
II-1
|
| 17784 |
knipogen |
een oogje knippen:
n uigske knippe (L331p Swalmen),
een oogje wenken:
`n eugske winkə (L331p Swalmen),
knipoogje (zn.):
knipuigske (L331p Swalmen)
|
knipogen [SGV (1914)] || Knipogen: een oog even sluiten en weer openen, als teken van verstandhouding (knipogen, pinken). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 24187 |
knobbelzwaan |
wilde zwaan:
wilj zjwaan (L331p Swalmen),
zwaan:
zjwaan (L331p Swalmen)
|
zwaan: knobbelzwaan (152 dezelfde als de tamme zwaan [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 20857 |
knoeien |
morsen:
morsə (L331p Swalmen),
slabben:
schlabbə (L331p Swalmen)
|
morsen [SGV (1914)] || slabben [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 25080 |
knoeien, morsen, bevuilen |
morsen:
mor... (L331p Swalmen)
|
morsen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19316 |
knoeier |
nalatige, een -:
naolèstige (L331p Swalmen)
|
iemand die zijn werk steeds verwaarloost [hordserd] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19076 |
knoest |
kankerknoop:
kankerknoep (L331p Swalmen),
knoest:
WLD
knoes (L331p Swalmen)
|
Een harde, ruwe uitwas aan een boom (knoes, kwar, aast, knoop, inwas, knoest). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33246 |
knollen uittrekken |
plukken:
plø̜kǝ (L331p Swalmen)
|
In oktober worden de bieten geoogst. Vroeger werden ze met een riek uitgestoken, later met een speciaal stuk gereedschap, zie het lemma Bietenrooier. Het bleef zwaar werk. Het object van het werkwoord is steeds "knollen" zoals in het lemma Knolvoer, Rapen (Coll.). Vergelijk ook het lemma Aardappels Rooien. [N Q, 11a; monogr.; add. uit Goossens 1963, kaart 17]
I-5
|
| 33236 |
knolraap, raap |
knollen:
knǫlǝ (L331p Swalmen),
reuben:
rø̄bǝ (L331p Swalmen
[(ook algemeen "knol")]
)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|