| 17921 |
knellen |
knellen:
knellə (L331p Swalmen),
knijpen:
knîêpe (L331p Swalmen),
nijpen:
nīēpe (L331p Swalmen)
|
knellen [SGV (1914)] || Knellen: stijf drukken zodat daardoor een striem ontstaat (knellen, knijpen, duwen, wringen, klemmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18174 |
knellen, gezegd van schoenen |
duwen:
duuje (L331p Swalmen)
|
drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn [knellen, klemmen, drukken] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 24186 |
kneu |
heivink:
heivi.nk (L331p Swalmen),
heivink (L331p Swalmen),
strts:
sjtröts (L331p Swalmen)
|
kneu || kneu (13,5 wit in vleugel en staart; wilde man heeft in zomer rood voorhoofd en borst; hele jaar hier; veel op trek; broedt in veld en hei; roep [tut-tut-tut]; leuke zang; geliefde kooivogel [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 21058 |
kneuzen |
blutsen:
blitsə (L331p Swalmen),
blutse (L331p Swalmen)
|
blutsen [SGV (1914)] || Een appel of peer oppervlakkig beschadigen zoda er een zachte plek ontstaat (blutsen, kneuzen, keuzen). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 33939 |
knevels |
knevels:
knēvǝls (L331p Swalmen)
|
Beide haakjes aan de bitringen, die aan het hoofdstel worden opgehangen. [N 13, 45]
I-10
|
| 22410 |
knibbelen |
knibbelen:
knibbele (L331p Swalmen)
|
Het spel waarbij de spelers staafjes (26 of 28) die verward op een hoopje liggen, met een haakje of een staafje telkens een staafje moeten ophalen zonder de andere te bewegen [knibbelen, knipperen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17677 |
knie |
knie:
kneen (L331p Swalmen),
knie (L331p Swalmen),
knî. (L331p Swalmen)
|
knie [DC 01 (1931)], [RND], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 34221 |
knieband voor een stier of kalf |
knieriem:
knirēm (L331p Swalmen)
|
IJzeren, soms houten beugel of ring aangebracht ter hoogte van de knie, meestal met een touw om de horens. Deze knieband wordt bevestigd om de koeien los te kunnen laten lopen en tevens ze in bedwang te kunnen houden. [N 3A, 14c; monogr.]
I-11
|
| 23369 |
knielbankje |
kniebankje:
kniebenkske (L331p Swalmen)
|
Het knielbankje van de kerkbank. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23536 |
knielen |
knielen:
kniele (L331p Swalmen)
|
Knielen, een kniebuiging maken [kniele, kneele, kneije?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|