| 25030 |
klotsen van vloeistoffen |
klotsen:
klotse (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
het geluid dat vloeistoffen maken bij het golven en botsen van de golven tegen elkaar of tegen een wand [klotsen, kwatsen, palsen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18120 |
kloven |
helften:
hɛlftǝ (L331p Swalmen),
reten:
rēēte (L331p Swalmen)
|
kloven in de hand [kloove, klieve, sprunge, kreewe] [N 10 (1961)] || Nadat het dier bestorven is, wordt het in twee delen verdeeld door het in de ruggegraat door te kappen. Soms laat men de ruggegraat aan één kant zitten en kapt men de ribben aan de andere kant los. Beide delen worden vervolgens apart verwerkt. [N 28, 89; Veldeke 32, 69; monogr.]
II-1, III-1-2
|
| 22659 |
klucht |
klucht:
kluch (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
lachstuk:
lachsjtök (L331p Swalmen)
|
Blijspel, komedie. || Een kort toneelstuk waarin een komisch geval uit het dagelijks leven op grappige wijze wordt behandeld [klucht, knod, stop, grauw]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 33675 |
kluit aarde |
kluit:
klū.t (L331p Swalmen),
klūt (L331p Swalmen)
|
[N 27, 36; S 18; R 3, 8; L 28, 8; L 28, 9; L 1a-m; L B2, 290; ALE 257; Vd.; monogr.]
I-8
|
| 18792 |
kluwen |
kluwen:
kloe ə (L331p Swalmen)
|
kluwen [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 21080 |
knabbelen |
knabbelen:
knawele (L331p Swalmen)
|
knabbelen [knibbele] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 25031 |
knappen |
knappen:
knappe (L331p Swalmen),
knipperen:
knippere (L331p Swalmen)
|
met een knappend geluid open springen [knipperen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 25032 |
knarsen |
knersen:
knérse (L331p Swalmen),
knoersen:
knoorse (L331p Swalmen)
|
een scherp, ongelijkmatig, schurend of malend, onaangenaam aandoend geluid voortbrengen [kniersen, knoersen, knarsen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21347 |
knecht |
knecht:
unnə nuujə knecht (L331p Swalmen)
|
knecht, een nieuwe ~ [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33338 |
knecht, algemeen |
knecht:
knęxt (L331p Swalmen),
knɛx (L331p Swalmen)
|
[L 1, a-m; S 26; Wi 8; monogr.; add. uit S 6]
I-6
|