| 20720 |
kliekje |
opgewarmde pruts:
opgewermde pruts (L331p Swalmen)
|
Kliekje, opgewarmde maaltijd (braoj, opstoovertje, prutske?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 17893 |
klieven |
kloven:
kluive (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
klø̜jvǝ (L331p Swalmen),
rijten:
rītǝ (L331p Swalmen
[(als het hout een meter lang is)]
)
|
Hout met een beitel of bijl in de lengterichting doorhakken, zodat het splijt. Zie ook het lemma ɛklievenɛ in de paragraaf over de kuipersvaktaal. Het betreft daar het klieven van stukken boomstam tot duigen.' [N 37, 8; N 50, 15a; N 75, 134a; monogr.] || klieven: Vaneen scheiden (klieven, kloven). [N 84 (1981)]
II-12, III-1-2
|
| 21469 |
klikspaan |
klaptoet:
klaptoet (L331p Swalmen)
|
klikspaan; Iemand die daar een gewoonte van maakt is een ...... [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 24581 |
klimop |
klimop:
-
klumop (L331p Swalmen),
wintergroen:
wintjergreun (L331p Swalmen),
-
wintjergreun (L331p Swalmen),
WLD
winjter-greun (L331p Swalmen)
|
De altijdgroene heester die zich door middel van wortels aan de omringende voorwerpen hecht (klimop, veil, klim, ifte, eiloof, klimmerkruid, lier). [N 82 (1981)] || klimop [DC 68 (1993)]
III-4-3
|
| 17736 |
klinken |
kletteren:
klèttere (L331p Swalmen)
|
klinken: Een goed hoorbaar, luid of helder geluid voortbrengen (klinken, luiden, klabetteren, klawetteren). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 31497 |
klinknagel |
klinknagel:
kleŋknāgǝl (L331p Swalmen)
|
Rond metalen staafje waaraan een kop is geperst. Zie ook afb. 177. Klinknagels worden volgens de koperslager uit L 266 onder meer gebruikt om hengsels te bevestigen. Koperen klinknagels werden vroeger volgens de zegsman uit L 210 gedraaid uit koperen plaat en vervolgens door het klinknagelijzer (kleŋkngǝlīzǝr) geslagen waardoor er een kop op kwam. Zie ook het lemma "nagelijzer". [N 66, 48a-b; N 100, 18; monogr.]
II-11
|
| 24536 |
klit |
klit:
klittə (L331p Swalmen),
klêtte (L331p Swalmen)
|
Klis (arctium tomentosum/xantimum atrumarium). De plant is 50 tot 130 cm groot. De bladeren zijn aan de onderkant viltig behaard; de bloemhoofdjes staan in schermvormige trossen, de omwindselblaadjes zijn wit spinnewebachtig behaard, vaak met een rode spi [N 92 (1982)] || klis (plant) [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 34493 |
kloeken |
kloeken:
klukǝ (L331p Swalmen)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van een broedse kip. [N 19, 47; monogr.]
I-12
|
| 20950 |
klokhuis |
kits:
kits (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt men het binnenstee van een appel? (klokhuis) [DC 31 (1959)]
III-2-3
|
| 24651 |
klokje (alg.) |
pispotje:
WLD
pispéutje (L331p Swalmen)
|
Klokjesbloem (campanula 50 tot 100 cm groot. De plant is ruw behaard. De stengel heeft scherpe kanten; de onderste bladeren zijn hartvormig en langgesteeld, de bovenste zijn smal en kort of niet gesteeld, de bladrand is gezaagd. De bloemen staan in loss [N 92 (1982)]
III-4-3
|