| 22324 |
kiskassen |
haantje drinken:
haantje drinkə (L331p Swalmen),
hênkə drinkə (L331p Swalmen),
ketsen:
ketse (L331p Swalmen),
steentje ketsen:
Sub ketse.
sjteinke ketse (L331p Swalmen),
Sub sjtein.
sjteinke ketse (L331p Swalmen)
|
II. Keilen, kiskassen. || Keilen. || kiskassen (over t water) [SGV (1914)] || Scheren met kleine steentjes over het water. [N 37 (1971)]
III-3-2
|
| 22325 |
kiskassen: steentje |
kievel:
Zie onder ketsje.
kievel (L331p Swalmen)
|
Platte steen om mee te keilen.
III-3-2
|
| 25563 |
klaar om gebakken te worden |
klaar voor de oven:
klǭr vø̄r dǝ ǭvǝ (L331p Swalmen)
|
Klaar om gebakken te worden, gezegd van gerezen deeg. In dit lemma komen verschillende grammaticale categorieën voor. [N 29, 28a]
II-1
|
| 19254 |
klaarkomen |
klaarkomen:
klaor kômme (L331p Swalmen),
klaorkôome (L331p Swalmen)
|
gereedkomen met wat men te verrichten heeft [geraken, klaarkomen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21802 |
klagen |
kuimen:
kūūme (L331p Swalmen),
lamenteren (<fr.):
lémmetêêre (L331p Swalmen)
|
droefheid en pijn door woorden te kennen geven, zich uitlaten over iets verdrietelijks [klagen, murmereken, kuimen, parmenteren, bulken, balken] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 34158 |
klam trekken |
aantrekken:
āntrɛkǝ (L331p Swalmen)
|
Klam trekken is een teken van drachtigheid. Ongeveer vier of zes weken na de bevruchting is voor het eerst waar te nemen of een koe drachtig is. Wanneer men dan op de uier drukt, komt er een taai, kleverig vocht uit. [N 3A, 38a]
I-11
|
| 24989 |
klam, klef |
klam:
klam (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
vochtig aanvoelend en enigszins plakkend, gezegd van zaken die van nature droog zijn maar waartegen zich vocht heeft vastgezet [klam, klammig, nes, klef, nesk, wak, week] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 34159 |
klamvaars |
plakkerd:
plɛkǝrt (L331p Swalmen)
|
Een klamvaars is een drachtige koe. De drachtigheid blijkt uit het klam trekken. Bij deze koe komt er een kleverig, taai vocht uit de uier. [N 3A, 38b; N C, 10b]
I-11
|
| 23477 |
klank van een klok |
klank:
klank (L331p Swalmen)
|
De stem (klank, toon) van een klok. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 21862 |
klant |
klant:
klantj (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
iemand die in de winkel iets komt kopen [klant, kalant, cliënt] [N 89 (1982)]
III-3-1
|