| 18893 |
kiezen |
uitzoeken:
oetzeuke (L331p Swalmen),
ôetzêûke (L331p Swalmen)
|
een keus doen uit een aantal voorwerpen of personen [fineren, begeren, uitmunten, uitkiezen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 29785 |
kijkgat |
kijkgat:
kī̄k˲gāt (L331p Swalmen)
|
Elk van de in het gewelf van de kamers van een vlamoven aangebrachte kijkgaten die, door het wegnemen van een deksel, de mogelijkheid bieden in de oven te kijken. In L 270 was het kijkgat tevens luchtgat. Het luchten en brandproef nemen noemde men in L 270: luchten (lø̜xt\). In de ouderwetse handpannenfabrieken in L 270 werd een olielampje met dubbele luchtstroom gebruikt bij het controleren van de pannen in de ovens. Men noemde dit een ɛquinquetɛ - Tegels Dialek, pag. 93.' [monogr.]
II-8
|
| 24337 |
kikker |
kwakkerd:
kwakkərt (L331p Swalmen),
kwekkerd:
kwɛkərt (L331p Swalmen)
|
kikvors, puit [RND] || kikvorsch [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 24336 |
kikkerdril |
kwakkerdengegeut:
kwɛkərtəgøgoø͂ͅt (L331p Swalmen)
|
kikkerrit [RND]
III-4-2
|
| 24467 |
kikkerdril (2, bewerkt) |
(-)geut, gegeut:
kwɛkərtəgøgoø͂ͅt (L331p Swalmen)
|
kikkerrit [RND]
III-4-2
|
| 17600 |
kin |
kin:
kin (L331p Swalmen)
|
kin [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 20308 |
kind (algemene benaming) |
kind:
kendj (L331p Swalmen)
|
kind [DC 03 (1934)]
III-2-2
|
| 20173 |
kind (troetelnaam) |
snobbeltje:
sjnuubelke (L331p Swalmen)
|
het liefkozend woord van ouderen voor kinderen [doeleke, dooier, fies, kadolleken, zoeteken, krotte, schijtgat, drulleke, hummel, etc.] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 21701 |
kinderfiets |
kinderfietsje:
kinderfietsje (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u in uw dialect: een rijwiel waar kleine kinderen op rijden [N 99 (1991)]
III-3-1
|
| 22691 |
kinderfluitje |
feep:
feep (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
fēp (L331p Swalmen),
Oppe kirmes höbbe de kinjer zich ein feepke gekoch.
feep (L331p Swalmen),
toetje:
Zie 2toet.
tuutje (L331p Swalmen)
|
1. Toetertje, fluitje. || Allerlei namen voor kinderfluitjes; geef ook aan waarvan ze gemaakt zijn en hoe ze heten [nachtegaal, blaasje, feep, moemel, noen]. [N 90 (1982)] || Een fluitje gemaakt uit de holle stengel van een paardebloem [fiepertje]. [N 90 (1982)] || Toeter, fluitje.
III-3-2
|