| 20592 |
kieskauwen |
knuizen:
knuizə (L331p Swalmen),
met lange tanden eten:
mit lang tenj aete (L331p Swalmen),
zeuteren:
zeutərə (L331p Swalmen)
|
zonder eetlust eten; Hoe noemt U: Traag en zonder eetlust eten (pieliën) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20498 |
kieskauwer |
zeuterzak:
zeutərzák (L331p Swalmen)
|
lastig met eten; Hoe noemt U: Lastig met eten, gezegd van iemand die altijd weinig eet [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18818 |
kieskeurig |
pintenneukerig:
pintenäökerig (L331p Swalmen)
|
niet gauw tevreden met de kwaliteit van iets dat men wil aanschaffen; met een moeilijk te bevredigen smaak [kieskeurig, lekker, lakker] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19019 |
kieskeurig persoon |
krentenkakker:
krintekàkker (L331p Swalmen)
|
niet gauw tevreden met de kwaliteit van iets dat men wil aanschaffen; met een moeilijk te bevredigen smaak [kieskeurig, lekker, lakker] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17919 |
kietelen |
kietelen:
kiedele (L331p Swalmen),
kîêdele (L331p Swalmen)
|
Kietelen, kriebelen: de huid op gevoelige plaatsen licht aanraken, bijv. uit plagerij; kriebelen (kietelen, kriebelen, kielen, kriekelen,krevelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24416 |
kieuwen |
kieuwen:
keeuw (L331p Swalmen),
keeuwə (L331p Swalmen),
WLD
kieuw (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u de vlezige platen aan de kop van een vis waardoor hij ademhaalt (kieuw, koen, wam) [N 83 (1981)] || kieuw [SGV (1914)] || kieuwen (mv.) [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 21828 |
kieuwen (wbd) |
roepen:
rope (L331p Swalmen)
|
uit de verte roepen [kieuwen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 24184 |
kievit |
kievit:
kievit (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
kievit (31 ronde vleugels; kuifje; bekend van de eierenraperij [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33543 |
kievitsbonen |
kievitsbonen:
WLD
kievitsboon (L331p Swalmen)
|
Een kievitsboon, een gespikkelde bruine boon (panachee, boterboon, kievitsboon, vreemdeboon, eitje, volterseke). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 24935 |
kiezel, kiezelsteen |
kiezel:
keezəl (L331p Swalmen)
|
kiezel [SGV (1914)]
III-4-4
|