| 24334 |
kever, tor |
kever:
kêver (L331p Swalmen),
tor:
tor (L331p Swalmen)
|
kever [SGV (1914)] || tor [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 21461 |
kibbelen |
stechelen:
sjtechele (L331p Swalmen),
sjtèchele (L331p Swalmen),
zich kammen:
zich keimə (L331p Swalmen)
|
het niet eens zijn en ruzie maken over kleinigheden, door wederzijds gebrek aan inschikkelijkheid vooral gezegd van kinderen [stechelen, sechelen, aantelen, akkenaaien, naarswaar-zen, grendelen, stensen, keken, kibbelen] [N 85 (1981)] || kibbelen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 24183 |
kiekendief |
kiekendief:
kĭĕkedief (L331p Swalmen)
|
kiekendieven (± 47 langere staart en smallere vleugels dan buizerd [086]; slome kringetjesdraaiers; steeds laag boven grond; nest op de grond; bruine en grijze soorten; sommige in rietland of moeras, andere op de hei; ook wel eens op de trek [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 18208 |
kiel |
kiel:
keel (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
kiel [SGV (1914)] || kiel, blauwlinnen of katoenen jasje van werklieden en boeren [keel, toekiel, kletsjet, plankerten] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 24513 |
kiem |
kiem:
WLD
keem (L331p Swalmen),
scheut:
scheut (L331p Swalmen),
sjēūt (L331p Swalmen)
|
De in het rijpe zaad ingesloten aanleg tot een nieuwe plant (kiem, scheut). [N 82 (1981)] || scheut [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24496 |
kiemen |
kemen:
WLD
keeme (L331p Swalmen),
kenen:
kéne (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
kiemen:
kimǝ (L331p Swalmen),
uitkomen:
WLD
ôêt-koome (L331p Swalmen)
|
Het uitschieten van de geweekte gerst. De invuller uit P 180 tekent hierbij aan dat de scheuten 6 cm groot werden, terwijl de zegsman uit L 210 vermeldt dat het proces niet zover mocht komen dat de bladkiem eruit kwam. Het "broeien" (L 292) gaat aan het kiemen vooraf. Zie ook de semantische toelichting bij het lemma ''kiemruimte''. [N 35, 10; monogr.] || Uit de kiem opgroeien, gezegd van planten (uitbotten, kesemen). [N 82 (1981)] || Uitkomen, gezegd van zaden (kesemen, kersten, kenen). [N 82 (1981)]
II-2, III-4-3
|
| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
kiemen:
kēmǝ (L331p Swalmen),
schieten:
šētǝ (L331p Swalmen),
spruiten:
šprūtǝ (L331p Swalmen),
uitkenen:
ū.tkē.nǝ (L331p Swalmen)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|
| 22399 |
kien! |
kien:
kien (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
Uitroep bij het kienen: alle nummers op één regel of de hele kaart vol.
kien (L331p Swalmen)
|
Kien! || Wat roept de speler als hij een rijtje bezet heeft? [katern, hammeke, kien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22398 |
kienen |
kienen:
kiene (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
Ss. keinaovindj: kienavond; kienbulke: kiendopje (houten schijfje met nummer, gebruikt bij het kienen).
kienne (L331p Swalmen)
|
Het spel waarbij de spelers elk één of meer kaarten hebben met daarop een aantal cijfers tussen 1 en 90. Die cijfers moeten opgevuld worden; ze worden willekeurig opgeroepen; winnaar is degene die het eerst een rij vol heeft [kienen, lotto, kienspel]. [N 88 (1982)] || Kienen.
III-3-2
|
| 17764 |
kies |
baktand:
baktandj (L331p Swalmen)
|
kies [DC 01 (1931)]
III-1-1
|