| 24180 |
keep |
ardense boekvink:
ardèènse bookvi.nk (L331p Swalmen),
redènsje bookvink (L331p Swalmen)
|
keep (14,5 man heeft oranje aan kop en borst, in het voorjaar zwarte kop en borst; vaak tussen vinken; alleen op trek en in winter; roep [wèèèèèk] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 32739 |
keerstrook, wendakker |
kop:
kǫp (L331p Swalmen),
voorhoofd:
vø̄.rhø̜i̯t (L331p Swalmen),
vø̄rhø̜i̯ǝr (L331p Swalmen)
|
Een keerstrook of wendakker is de strook grond aan het uiteinde van een akker waar de ploeg gekeerd wordt. Deze strook ligt dwars op de voren van het groot geploegd middendeel. Als men aan het voor- en achtereinde van de akker niet op een belendend perceel of op een (veld)weg kan keren, heeft men twee keerstroken nodig. De keerstrook werd oorspronkelijk onbebouwd gelaten, later werd ook zij geploegd. Een aantal benamingen kunnen ook gebruikt worden voor een strook grond in het algemeen; soms wordt er op gewezen dat men via de keerstrook toegang tot het perceel heeft. De strook is breder dan normaal als zij in de lengterichting aan een afrastering of haag grenst. [N 11, 50a; N 11A, 125b; JG 1a + 1b + 1c; JG 2b + 2c; A 18, 2; A 33, 3 + 4 + 5; L B2, 246; L 34, 47; monogr.]
I-1
|
| 26893 |
keet, hut |
hut:
høt (L331p Swalmen),
schaftkeet:
šafkēǝt (L331p Swalmen)
|
Verblijf- en schuilplaats bij de kleikuil voor de kleistekers; vroeger een primitief, raamloos bouwsel van takkenbossen of plaggen. [monogr.]
II-8
|
| 19926 |
keffen |
keffen:
keffe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u hoog en snel blaffen, vooral van kleine honden (keffen, kneffen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 22790 |
kegel |
kegel:
kaegel (L331p Swalmen)
|
Kegel.
III-3-2
|
| 22418 |
kegelen |
kegelen:
kaegele (L331p Swalmen),
kegele (L331p Swalmen),
kēͅgələ (L331p Swalmen)
|
De sport bedrijven waarbij met een bal getracht moet worden een aantal flesvormige houten voorwerpen, de kegels, omver te werpen [kegelen, bollen]. [N 88 (1982)] || Kegelen.
III-3-2
|
| 22789 |
kegels (mv.) |
kegels:
mɛtə ke.gəls wɛrt ne.tmi.ə gəspe.lt (L331p Swalmen)
|
met de kegels wordt er niet meer gespeeld [RND]
III-3-2
|
| 29615 |
kei, voorkomend in de kleilagen |
koot:
kōt (L331p Swalmen),
moet:
mut (L331p Swalmen)
|
[N 98, 24; monogr.]
II-8
|
| 19664 |
kelder |
kelder:
kɛ̝ldər (L331p Swalmen)
|
kelder [RND]
III-2-1
|
| 23293 |
kelk |
miskelk:
mèskelk (L331p Swalmen)
|
De kelk, de misbeker [kelk, kelch, mèskelk?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|