| 31572 |
karwip |
winde:
wenj (L331p Swalmen)
|
Werktuig dat door smeden wordt gebruikt om karren op te lichten, bijvoorbeeld wanneer er onderdelen van een wiel zoals een naafbus of wielband vervangen moeten worden. Het bestaat uit een getande stang die door middel van een hefboom omhoog en omlaag kan worden bewogen. Mogelijk kunnen met de termen in dit lemma ook andere soorten heftoestellen worden bedoeld. Zie ook afb. 208. [N 17, 81; N 33, 283; monogr.]
II-11
|
| 19695 |
kast |
kast:
kast (L331p Swalmen)
|
kast [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 19826 |
kat |
kat:
kat (L331p Swalmen),
mies:
mies (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u een kat (poes, mies, kat, balkhaas, zandhaas, marol) [N 83 (1981)] || kat [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 22311 |
katapult |
katapult:
[Met afbeelding].
kattepuul (L331p Swalmen)
|
Katapult.
III-3-2
|
| 22867 |
katapult add. |
gaffel:
Zich ein sjoon geffelke zeuke veur eine kattepuul.
gaffel (L331p Swalmen)
|
2. Gevorkte tak.
III-3-2
|
| 20604 |
kater |
haarpijn:
haorpien (L331p Swalmen),
kater:
kater (L331p Swalmen),
zware kop:
zwaorə kop (L331p Swalmen)
|
kater hebben; Hoe noemt U: Zich niet lekker voelen de dag na een flinke drinkpartij (een kater hebben) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 23345 |
kathedraal |
hoge kerk:
hoog kirk (L331p Swalmen)
|
Een kathedraal. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23213 |
katholiek |
katholiek (<fr.):
katheliek (L331p Swalmen)
|
katholiek [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 28768 |
katoen |
katoen:
kǝtūn (L331p Swalmen)
|
Uit katoendraden geweven stof. Leverancier van de katoendraad is een kruid-, struik- of boomachtige plant ø̄voor het grootste deel verbouwd in Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Egypte (macco of mako), Oost-Indië, China, Ethiopië en Ruslandø̄ (Bonthond, s.v. ø̄katoenø̄). [N 62, 85; N 62, 77; N 62, 75c; N 59, 201; MW; L 1a-m; L 27, 73; L 41, 40a; S 17; monogr.]
II-7
|
| 24786 |
kattekruid |
kattekruid:
WLD
káttekroet (L331p Swalmen)
|
Kattekruid (nepeta cataria 40 tot 100 cm grote plant. De stengels staan rechtop en zijn dicht behaard; de bladeren zijn eivormig spits, de bladrand is gekarteld of getand; de bloemen staan in lange trossen aan het eind van de stengel en in gesteelde zij [N 92 (1982)]
III-4-3
|