| 24720 |
hoofdwortel |
pinne:
pínne (L331p Swalmen),
WLD
pinne (L331p Swalmen)
|
De hoofdwortel van een boom die in het verlengde van de stam ligt en die sterk in de diepte groeit (pen, pin, penwortel). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 22077 |
hoog vliegen |
hoog vliegen:
hoog vlege (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men: de duiven vliegen hoog (bijv. bij mooi weer)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 23277 |
hoogmis |
hoogmis:
də ho.mɛs (L331p Swalmen),
homes (L331p Swalmen)
|
De hoogmis [hoeëmès, hoegmès, hómmes?]. [N 96B (1989)] || hoogmis [RND]
III-3-3
|
| 26374 |
hoogsel |
bredjes:
brętjǝs (L331p Swalmen),
hoogsels:
hø̄xsǝls (L331p Swalmen),
vlakken:
vlakǝ (L331p Swalmen)
|
Rechtopstaande plank die op de zijwand bevestigd wordt om deze zijwand hoger te maken en zo de laadruimte te vergroten. Het woordtype steekhoogsel duidt een plank aan die boven op de zijleest gezet wordt als extra verhoging. [N 17, 34 + 40 + add; N 18, 99; N G, 60g; JG 1a; JG 1b; JG 2b; A 26, 1 + add, monogr.]
I-13
|
| 33648 |
hoogte in een akker |
hoogte:
hø̄gdǝ (L331p Swalmen),
horst:
hǫrs (L331p Swalmen),
hǭrs (L331p Swalmen),
kop:
kop (L331p Swalmen)
|
Verhoging in een akker of hoger gelegen stuk grond. [N 11, 3b; N 11A, 130a; monogr.]
I-8
|
| 23209 |
hoogtijd |
hoogtijd:
hoogtie (L331p Swalmen)
|
hoogtijd [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 22164 |
hooi |
hooi:
hø̜̄i̯ (L331p Swalmen),
hø̜.i̯ (L331p Swalmen),
hø̜.i̯ǝ (L331p Swalmen)
|
Gemaaid en op het veld drogend of gedroogd gras. In de klankkaart is de klankkleur (eerst velair, dan palataal) en de lengte van de klinker aangegeven; korte klinkers hebben een toevoeging aan het symbool. De aan- en afwezigheid van de j-klank is niet in kaart gebracht, maar uit de varianten in het lemma zelf af te lezen; per aangegeven klankkleur en lengte staan steeds de diftongen vooraan. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in kaart gebracht. [N 7, 58; N 14, 88b en 128a; JG 1a, 1b; A 10, 17 en 20; A 16, 1-4; L 1 a-m; L 27, 17; L 34, 70; L 38, 35-36; RND 122; Wi 52; S 14; R (s]
I-3
|
| 32950 |
hooi afladen |
afsteken:
āfštɛ̄.kǝ (L331p Swalmen)
|
Het lossen van de lading hooi. [N 14, 125]
I-3
|
| 32931 |
hooi binden tot een bussel |
binden:
binjǝ (L331p Swalmen)
|
Met name in centraal en zuidelijk Nederlands Limburg werd het hooi vaak, vóór het op de wagen werd geladen, met de hand tot bussels samengebonden, die dan gemakkelijker dan los hooi konden worden opgestoken en getast. In Belgisch Limburg is dit gebruik zo goed als onbekend; in K 314, 316, L 270 en 314 werd uitdrukkelijk aangegeven dat er vóór het laden niet gebonden werd. Het woordtype persen duidt wel op de moderne techniek van het gebruik van de hooipersmachine, maar dit gebruik kan ook door het algemene binden worden aangeduid. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is altijd: hooi. [N 14, 115a]
I-3
|
| 32949 |
hooi binnenhalen |
inhalen:
enhǭlǝ (L331p Swalmen),
invaren:
envārǝ (L331p Swalmen)
|
De algemene benaming voor het vervoeren van het hooi, van het veld waar het is gemaaid en gedroogd, naar de boerderij waar het zal worden opgeslagen als wintervoer. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. [N 14, 117; A 10, 17; A 16, 4b; L 38, 35; Lu 2, 34 II add.; monogr.]
I-3
|