| 20524 |
homp brood |
homp:
hômp (L331p Swalmen),
hôomp (L331p Swalmen)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19784 |
hond |
hond:
hondj (L331p Swalmen)
|
hond [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 34209 |
hondsdolheid |
razend zijn:
(de koe is) rǭzǝnt (L331p Swalmen),
razende hond:
rǭzǝndǝ honjtj (L331p Swalmen)
|
Een bij honden, wolven, vossen en andere dieren voorkomende infectieziekte die door een beet kan worden overgebracht, ook op koeien. Zie ook het lemma ''hondsdolheid'' in wbd I.3, blz. 486. [N 52, 12b; A 48A, 25]
I-11
|
| 24687 |
hondsdraf |
heggenkruipertjes:
hegGekruuperker (L331p Swalmen)
|
Hondsdraf (glechoma hederacea 20 tot 60 cm groot. De stengels zijn kruipend met opgerichte, bloeiende takken; de bladeren zijn rond of niervormig met een hartvormige voet, de bladrand is gekarteld; de bloemen groeien in kransen in de bladoksels, blauwpa [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 20614 |
honger hebben |
schrok hebben:
sjrak höbbe (L331p Swalmen)
|
honger hebben [schrok hebbe] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 21043 |
honing |
honing:
hōneŋ (L331p Swalmen)
|
Produkt door de bijen uit bloemvocht of nectar bereid en afgezet in de cellen van de raten. Honing is een zoete stof die door mensen als voedingsmiddel wordt gebruikt. [N 63, 43b; N 63, 111; L 1a-m; L 35, 105; S 14; S 38, JG 1a+1b; JG 2b-5; Ge 37, 128; A 9, 8; monogr.]
II-6
|
| 28667 |
honingdrank |
honingsnat:
hōneŋsnāt (L331p Swalmen)
|
Na de verwijdering van de honing uit de raten houdt men ruwe was over die gezuiverd wordt met water. De gegiste honing- en wateroplossing wordt dan mee of mede, honingdrank genoemd. [N 63, 120a; R 3, 45; Ge 37, 148; JG 2b-5, add.; monogr.]
II-6
|
| 17570 |
hoofd |
hoofd:
hutje (L331p Swalmen),
höt (L331p Swalmen),
kop:
kop (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
kup (L331p Swalmen)
|
[N 10 (1961)]hoofd [DC 01 (1931)], [SGV (1914)] || hoofden [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17571 |
hoofd (spotnamen) |
duiles:
duiles (L331p Swalmen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23420 |
hoofdaltaar |
hoofdaltaar:
hoofaltaor (L331p Swalmen)
|
Het voornaamste altaar, midden in het priesterkoor [hoogaltaar, hoofdaltaar, hoopaltooër?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|