| 18352 |
hoge rijgschoen |
hoge vrouwluischoen:
hoge vrouwluusjōōn (L331p Swalmen)
|
rijgschoenen, hoge ~ voor dames [petiens, bottines] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21866 |
hogen |
hogen:
heuge (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
de eerder geboden som verhogen op een veiling [hogen, een hoog zetten] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22525 |
hogen, hoogjassen (kaartspel) |
hogen:
Nao de homes zote altied te - of te kruutse.
heuge (L331p Swalmen),
hoogjassen:
hoogjassen (L331p Swalmen)
|
I.2. Hoogjassen (een bepaald kaartspel, verwant aan klaverjassen). || Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21966 |
hok om te paren |
kweekhok:
kweekhok (L331p Swalmen)
|
een hok speciaal om er te paren en te broeden? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 33073 |
hok opbinden |
ankeren:
aŋkǝrǝ (L331p Swalmen)
|
Het leggen van een band om de koppen van de schoven als deze in een hok bijeengezet worden. Het voorwerp van het werkwoord is steeds "hok, stuik". De volgorde van de varianten van het type binden is zoals in het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). [N 15, 33; monogr.]
I-4
|
| 22139 |
hoklijst |
hoklijst:
hoklīēs (L331p Swalmen)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: hoklijst, lijst waarop alle duiven moeten worden ingeschreven? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22024 |
holenduif |
holenduif:
hao.ledōēf (L331p Swalmen),
hòòledoef (L331p Swalmen),
kleine houtduif:
klein houtdoef (L331p Swalmen),
klein houtdoèf (L331p Swalmen)
|
holenduif || holenduif (33 lijkt op een blauwe postduif, maar zonder witte stuit; broedt in holle bomen en de laatste tijd ook in stadstorens en muurgaten; roep [hoe-ò, hoe-ò, hoe, hoe] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 31168 |
holpijp |
slagpijpje:
šlā.xpī.pkǝ (L331p Swalmen)
|
Stalen staafje dat van onderen in een scherp gerand kokertje uitloopt. De holpijp wordt gebruikt om gaten te maken in dun plaatmateriaal. Men slaat er een plaatje van een bepaalde (vaak ronde) vorm mee uit. Zie ook afb. 135 en het lemma "holpijpje" in Wld II.10, pag. 30. Het betreft daar een vergelijkbaar werktuig voor het maken van gaatjes in leer. [N 33, 326; N 64, 73]
II-11
|
| 24323 |
hom |
hom:
WLD
hóm (L331p Swalmen),
melkkuit:
mêlkkuut (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u het voortplantignsvocht van mannelijke vissen (hom, melk, geiltje) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 24324 |
hommel |
hommel:
homəl (L331p Swalmen),
hômmel (L331p Swalmen),
WLD
hôomel (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u een soort bij: groot, breed gebouwd en meestal kleurig behaard (bruinrood of geel) (hommel) [N 83 (1981)] || hommel [SGV (1914)]
III-4-2
|