| 25558 |
het voorrijzen buiten de trog |
gaan:
gǭn (L331p Swalmen)
|
De informant van P 56 vermeldt dat het deeg, wanneer het voorgerezen is in de trog of machine, op de bakkerstafel wordt overgebracht voor het narijzen. Sommige informanten beschouwen deze fase als een onderdeel van het voorrijzen. Deze tweede rijsbeurt vindt plaats op de bakkerstafel (Q 121e) of bank (Q 19, 198b) of in de rijskast (L 269). [N 29, 24c]
II-1
|
| 25557 |
het voorrijzen in de trog |
rusten:
rø̜stǝ (L331p Swalmen)
|
Volgens de informant van P 56 worden de grondstoffen in de trog of de machine gebracht. Eerst de bloem (± 50 kg). De gist (± 1 kg) wordt opgelost in water. Dit mengsel wordt op de bloem gegoten, waarin eerst een soort trechter is gemaakt. Dit alles laat de bakker ongeveer 15 minuten staan. Dit is dan wel het voorrijzen in de trog. [N 29, 24b; N 29, 24a]
II-1
|
| 19768 |
het vuur aansteken |
aanstoken:
aansjtoake (L331p Swalmen)
|
aanstoken [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 19415 |
het vuur doven |
blussen:
blusse (L331p Swalmen),
dempen:
⁄t vuu.r de.mpe (L331p Swalmen),
doven:
douve (L331p Swalmen),
uit laten gaan:
oe.t laote gao.n (L331p Swalmen),
oet laote gaon (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
doven, laten uitgaan, gezegd van vuur in de kachel [N 07 (1961)] || Het branden doen eindigen (blussen, doven) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 23618 |
het zielboek aflezen |
de dodenlijst voorlezen:
doojelies veurlaeze (L331p Swalmen)
|
Het zielenboek aflezen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20678 |
hete bliksem |
hete bliksem:
heite bliksem (L331p Swalmen)
|
Stamppot van appelen en aardappelen (appelprul, hemel en aarde, hete bleksem, onder en boven de tafel, hoog en laag?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20404 |
heten |
heten:
hee[i̯}tə (L331p Swalmen)
|
heeten [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 32923 |
heukeling |
droogopper:
drø̄gǫpǝr (L331p Swalmen),
opper:
ǫpǝr (L331p Swalmen)
|
Het kleinste hoopje halfdroog hooi dat men ''s avonds maakt door het opwerken van de rijen, om ze ''s anderendaags weer uiteen te gooien. De kaarten 40, 42 en 44, respectievelijk "heukeling", "hoop" en "opper" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 39, 41 en 43: "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 104 en 103 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 3a; A 42, 20a, L 36, 1; L 38, 38a; monogr.]
I-3
|
| 32924 |
heukelingen spreiden |
uitereengooien:
[uitereengooien] (L331p Swalmen),
uitereensmijten:
[uitereensmijten] (L331p Swalmen)
|
Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.]
I-3
|
| 29850 |
heulschop |
heulschup:
hø̄̄lšø̜p (L331p Swalmen)
|
Schop met lange steel om de wand van de kleiput uit te hollen. [monogr.]
II-8
|