| 23609 |
het misboek omdragen |
omdragen:
omdrage (L331p Swalmen)
|
Het misboek omdragen, van de epistel- naar de evangeliezijde van het altaar brengen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22002 |
het neerstrijken van de duif |
vallen:
dao vêlt ze (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men: het neerstrijken van de duif? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 23573 |
het orgel trappen |
orgel treden:
orgel traeje (L331p Swalmen)
|
Het orgel treden of trappen, de blaasbalg tredend met lucht vullen en gevuld houden. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34005 |
het paard leiden |
met de kop houden:
met˱ dǝ kǫp hāi̯ǝ (L331p Swalmen)
|
Het paard leiden of mennen door het met de teugels te sturen. Werkwoorden zoals varen en leiden werden niet door alle corresponenten gegeven. [N 8, 100 en 101b; Wi 25; monogr.]
I-10
|
| 34007 |
het paard met een dubbele lijn leiden |
jacht:
jāx (L331p Swalmen)
|
Het paard besturen met een lange teugel uit één stuk, die aan de ene kant van het gebit vertrekt, langs de hand van de voerman gaat en langs de andere kant weer aan het gebit bevestigd is (cf. lemma Dubbele Lijn). Bij deze dubbele lijn, die links én rechts naar de hand van de voerder komt, trekt men aan de kant van de richting die het paard moet inslaan. Werkwoorden zoals varen, leiden werden niet altijd opgegeven. [JG 1b; N 8, 101b-c; N 13, 30 en 35]
I-10
|
| 34006 |
het paard met een enkele lijn leiden |
op één lijntje varen:
ǫp ęi̯n līnkǝ vārǝ (L331p Swalmen)
|
Het paard mennen met een lijn die uit twee delen bestaat, één dat via de rug van het paard de twee uiteinden van het gebit verbindt (cf. lemma Loenje), en een enkele lijn die aan het achterste einde van de eerste bevestigd is (cf. lemma Kordeel, Hotlijn). Die enkele lijn, het kordeel, houdt de voerman in de hand. Om het paard links te doen afslaan, houdt hij die strak gespannen; om het rechts te doen afzwenken, trekt hij met kleine schokjes (stuiklijn). Werkwoorden zoals varen en leiden werden niet door alle corresponenten gegeven. [JG 1b; N 8, 101a; N 13, 29; monogr.]
I-10
|
| 33921 |
het paard wennen aan tuig en arbeid |
aanspannen:
ānšpanǝ (L331p Swalmen),
aantuigen:
āntȳgǝ (L331p Swalmen)
|
[N 8, 99]
I-9
|
| 25443 |
het vlees in stukken snijden |
uitereendoen:
ūtręjndōn (L331p Swalmen),
vierelen:
vērǝlǝ (L331p Swalmen)
|
Als één der helften van het gekloofde dier verwerkt wordt, snijdt men deze eerst in enkele grote, wat handzamer stukken. [N 28, 98; monogr.]
II-1
|
| 25441 |
het vlees laten besterven |
versterven:
vǝrštɛrvǝ (L331p Swalmen)
|
Na het verwijderen der ingewanden e.d. en het schoonmaken laat men het vlees hangen om het te laten afkoelen en opstijven. De volgende dat wordt het verder verwerkt. Enerzijds is dit een eis van de keuringsdienst (eventuele ziektes e.d. zijn dan makkelijker te constateren), anderzijds komt dit besterven volgens velen de smaak van het vlees ten goede. [N 28, 95; monogr.]
II-1
|
| 21436 |
het volle bedrag |
de hele roffel:
de hele roefel (L331p Swalmen),
de volle bak:
de volle bak (L331p Swalmen)
|
volle bedrag, de gehele som, zonder korting [de hele poet, de volle roefel, de hele paaj?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|