| 24760 |
hennepnetel |
witte netel:
WLD
witte-néetel (L331p Swalmen)
|
Hennepnetel (geleopsis tetrahit 20 tot 80 cm groot. De stengels hebben verdikkingen onder de bladparen en zijn daar stijf behaard; de bladeren zijn eivormig-langwerpig, spits en behaard; de bloemen hebben een knobbeltje achter de beide insnijdingen van [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 34440 |
herdershond |
herdershond:
hęrdǝrshǫnjtj (L331p Swalmen),
schaapshond:
šǭpshǫnjtj (L331p Swalmen),
schepershond:
šēpǝrshǫnjtj (L331p Swalmen)
|
Hond van verschillend ras die door de herder wordt gebruikt ter bewaking van de schaapskudde. [N 7, 68; N 78, 21a; L 6, 30; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 34438 |
herdersschopje |
schepersschup:
šēpǝršø̜p (L331p Swalmen)
|
Schop, stok of staf waarmee de herder zand of steentjes naar de schapen werpt om ze in het gelid te houden. [N 18, 11; N 78, 10a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 21129 |
herenfiets |
herenfiets:
herenfiets (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt u in uw dialect: een rijwiel waar mannen op rijden [N 99 (1991)]
III-3-1
|
| 24894 |
herfst, najaar |
herfst:
hêrfs (L331p Swalmen),
najaar:
naojaor (L331p Swalmen)
|
het derde van de vier jaargetijden, de tijd tussen zomer en winter [bamis, bamistijd, natijd, uitgang] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 25151 |
herfstdraden |
herfstdraden:
herfsdrøͅj (L331p Swalmen),
herfstvamen:
herfsvèèm (L331p Swalmen)
|
herfstdraden [zomervamen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 19907 |
herfstsering |
floks:
floks (L331p Swalmen)
|
Herfstsering (Phlox paniculata L.). De bladeren zijn alle breed, meestal 2 cm of meer. De stengel is hoog, veelal 1 m of meer, tevens gevlekt, met talrijke, tot een dikke tros verenigde, bloemen. de kelkslippen zijn spits. De kroon heeft een lange buis en [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 24877 |
herik |
herik:
hē.rek (L331p Swalmen),
hɛrek (L331p Swalmen),
-
herik (L331p Swalmen),
zennep:
zęnǝp (L331p Swalmen)
|
herik (Sinapis arvensis L.) [DC 43 (1968)] || Sinapis arvensis L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op bouwland en in open bermen met goudgele bijeenstaande bloempjes en zaden in de vorm van zeer dunne opstaande boontjes. Het bloeit van mei tot september. De lengte varieert van 30 tot 80 cm. Het is ook bekend onder de oude naam krodde of wilde mosterd. Dit onkruid wordt vaak verward met knopherik (Raphanus raphanistrum L.), waar het sterk op lijkt. Knopherik komt meer voor op zandige akkers en bermen, terwijl de zaden groter zijn evenals de bloempjes, waarvan de kleur kan variëren van wit tot donkergeel en paars. Het bloeit van juli tot augustus en wordt 20 tot 60 cm hoog. Bij de opgaven wordt door een aantal informanten op dit verschil gewezen. Melm is droge akkergrond. Zie Goossens 1964; 1970 en 1988, 95-108. [N C, 2; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 17, 12; A 43, 12; monogr.]
I-5, III-4-3
|
| 34145 |
herkauwen |
neringen:
nēreŋǝ (L331p Swalmen)
|
Het eerst niet of nauwelijks gekauwde, in de voormaag gedeeltelijk verteerde voedsel opnieuw verwerken. Zie afbeelding 7. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 4, 13; L 14, 26; L 14, 88; L 20, 13; S 13; monogr.]
I-11
|
| 17779 |
hersenen |
hersens:
hersə (L331p Swalmen)
|
hersenen [SGV (1914)]
III-1-1
|