| 18090 |
hartinfarct |
begaving:
begâoving (L331p Swalmen),
beslag:
Wordt gebruikt bij een hartaanval en voor een hersenbloeding.
besjlāāg (L331p Swalmen)
|
Hartinfarct: bloeding in de hartspier met verstopping van de kransslagader (vang, kramp, infarct, hartverlamming). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21458 |
haten |
haten:
haatə (L331p Swalmen),
hate (L331p Swalmen),
hààte (L331p Swalmen)
|
een sterk gevoel van afkeer tegen iemand hebben, haatgevoelens voor iemand hebben [haten, dregen] [N 85 (1981)] || haten [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33386 |
haverkist, hakselkist |
hakselkist:
hɛksǝlkes (L331p Swalmen)
|
De kist of bak waarin men het droge voer, tegenwoordig de haver, voor het paard bewaart. Deze kist staat meestal in de voergang in de paardestal. Vroeger werden er vooral ook haksel, soms zemelen, geplette haver, kaf of melasse in bewaard. De kist kan door een tussenwand verdeeld zijn. In het ene vak bewaart men dan meestal haver, in het andere iets anders. Soms zijn er meer dan twee vakken. Achter in het lemma staan enkele benamingen bijeen voor dit tussenschot. In het lemma wordt achter de codecijfers zoveel mogelijk met een cijfer vermeld in hoeveel delen de kist verdeeld was en wat er nog meer in bewaard werd dan de in het eerste lid van de woordtypen genoemde voedselsoort. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (haver) het lemma "haver" in aflevering I.4, nr 1.2.5 [N 5A, 59c en 72b; JG 1a en 1b; monogr.]
I-6
|
| 34285 |
haverkorfje |
schepel:
šē.pǝl (L331p Swalmen)
|
Korfje uit stro en twijgen gevlochten waarmee men haver voor het paard in afmeet. De inhoud is ongeveer 3 kg. Men bindt het ook wel aan de muil van het paard om te beletten dat het ergens aan vreet, bijvoorbeeld bij het maaien. [N 18, 112]
I-11
|
| 20675 |
havermout |
havermout:
havermout (L331p Swalmen),
havrəmout (L331p Swalmen)
|
Havermout [N 16 (1962)] || havermout [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20607 |
havermoutpap |
havermoutepap:
havermoutepap (L331p Swalmen)
|
Pap van havermout (haavere moute pap?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33994 |
haverzak |
kopzak:
kǫp˲zak (L331p Swalmen),
muilzak:
muilzak (L331p Swalmen)
|
Zak, gevuld met haver, die men een ingespannen paard omhangt om het te laten eten. [N 13, 90; monogr.]
I-10
|
| 24480 |
hazelaar |
hazenotenstruik:
haasənotəštruuk (L331p Swalmen)
|
hazelstruik [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 21000 |
hazelnoot |
hazenoot:
haasənoot (L331p Swalmen)
|
hazelnoot [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24412 |
hazelworm |
slang:
sjlang (L331p Swalmen)
|
hazelworm: Hoe noemt u de hazelworm, een pootloze hagedis die op de heide leeft en wel wat op een kleine slang lijkt? [N100 (1997)]
III-4-2
|