| 32934 |
handvol hooi, pluk hooi |
armvol:
ę.rvǝl (L331p Swalmen),
handvol:
hampǝl (L331p Swalmen),
poes:
pūs (L331p Swalmen)
|
De kleine hoeveelheid hooi die men met de handen kan oppakken. Soms wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de pluk hooi die men in de hand pakt en de hoeveelheid die men in de armen kan nemen, bij voorbeeld in L 295: een "tuske" is zoveel als men in de handen kan nemen, en een "ervel" is zoveel als men in de armen kan nemen; in Q 200, 247 en 247a is dit respectievelijk een "floes" en een "wis". Soms geven diminutiva aanleiding tot klankschilderende woorden; ze staan achter in het lemma bijeen. [N 14, 116; N 14, 131 add.; monogr.]
I-3
|
| 29895 |
handvormpan |
handpan:
hanjtpan (L331p Swalmen)
|
Dakpan die met de hand is vervaardigd. Bij de handvormpannen kan een onderscheid gemaakt worden in drie modellen: het Wassenaars model met 22 pannen per m2, het Utrechts model met 18 pannen per m2 en het Reeser model met 16 pannen per m2. [monogr.]
II-8
|
| 29157 |
handweefgetouw |
weefstoel:
wē̜fštōl (L331p Swalmen)
|
Het weefgetouw dat bediend wordt met de hand. De afmetingen hiervan zijn nogal verschillend; gewoonlijk is de lengte 2,5 m tot 3 m, de breedte ongeveer 2 m en de hoogte tot aan de draagarmen 2,5 m (Grothe, pag. 338). Zie afb. 54 en 55. [N 39, 1b; N 39, 1a; N 5A øIŋ, 9c; monogr.]
II-7
|
| 33147 |
handzeef |
trieerzeef:
triērzēf (L331p Swalmen),
zeef:
zēf (L331p Swalmen)
|
De grove zeef waarmee het zaaigraan wordt gewonnen. Er komen twee hoofdtypen voor: de ronde handzeef van ongeveer 80 cm doorsnede met een opstaande rand van ongeveer 10 tot 15 cm. Ouder is wel de rechthoekige houten bak met een bodem van gaas (heel vroeger van fijne gevlochten wilgetenen) die aan een koord werd opgehangen aan een balk in de schuur. In Haspengouw is dit type het oorsponkelijke. In Oost-Haspengouw noemt men het de ries; ook bij het type wan in West-Haspengouw wordt uitdrukkelijk door de zegslieden vermeld dat het hier om een grote vierkante graanzeef gaat. Zie afbeelding 15. Bij het type zij, zijg daarentegen vermeldt men dat dit woord doorgaans de keukenzeef aanduidt, of de vergiet, gebruikt voor melk en soep. [N 14, 38b, 41a, 42a, 43a en 44; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 8, 118; S 45; monogr.]
I-4
|
| 33909 |
hanetred |
hanetree:
hǭnǝtręi̯ (L331p Swalmen),
krampetrekker:
krampǝtrɛkǝr (L331p Swalmen)
|
Krampachtige beweging van de achterbenen. Het paard gaat als een haan en trekt bij het lopen één of beide achterbenen krampachtig op. Als paarden met deze afwijking een tijdje gestaan hebben, zijn ze erg stijf in de achterpoten. Vgl. het lemma ''krampig'' (7.14). Krampigheid en hanetred worden beschouwd als gebreken die verborgen kunnen blijven.' [A 48A, 40; N 8, 90c]
I-9
|
| 17811 |
hangen |
hangen:
hangə (L331p Swalmen)
|
hangen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 19373 |
hangslot |
hangslot:
hangslaot (L331p Swalmen),
tegenwoordig
hangsjlāōt (L331p Swalmen),
kat:
kat (L331p Swalmen),
kluister:
kloester (L331p Swalmen),
smidskatje:
(onz.).
sjmi.dskettje (L331p Swalmen)
|
Een slot dat aan b.v. een koffer of aan een deur gehangen wordt, met een draaibare beugel (kluister, hangslot, korna ) (=Fr. cadenas) [N 79 (1979)] || hangslot [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 18979 |
hansworst |
aansteller:
aansjteller (L331p Swalmen),
nozele, een -:
nêuzele (L331p Swalmen)
|
iemand die zich belachelijk aanstelt [hanswordt, polichinelle] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21413 |
hard schreeuwen |
hel kaken:
hel kake (L331p Swalmen)
|
hard schreeuwen; je moet - - anders verstaat hij ons niet [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
| 25147 |
hard waaien |
bijzen:
bāōze (L331p Swalmen),
boezen:
bōēze (L331p Swalmen),
bōēzen (L331p Swalmen)
|
hard waaien [boezen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|