| 18903 |
handeling |
daad:
daod (L331p Swalmen),
dôôn (L331p Swalmen)
|
een op zichzelf staande, niet werktuigelijke verrichting, een handeling [gangen, gang, daad] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17661 |
handen (kindernamen) |
polletjes:
poelkes (L331p Swalmen)
|
hand: kinderwoorden (pol, polleke, poeleke] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17660 |
handen (spotnamen) |
jatten:
jatte (L331p Swalmen),
poten:
Mv.
peut (L331p Swalmen)
|
[N 10 (1961)]hand [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 21519 |
handgeld |
handgeld:
handj geldj (L331p Swalmen)
|
eerste geld dat iemand ontvangt voor zijn waren [handsgeld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 18906 |
handig |
handig:
henjig (L331p Swalmen),
hènjich (L331p Swalmen)
|
goed met de handen terecht kunnend; gemakkelijk en snel iets met de handen kunnen maaken [handig, mieg, erg, snel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 34566 |
handkar |
handkar:
hantjkęr (L331p Swalmen)
|
Tweewielige kar die men met de handen voortduwt of trekt. Deze kar heeft twee bomen en zijplanken. [N 17, 15a; N G, 51; JG 1a + 1b; A 42, 4; monogr.]
I-13
|
| 26685 |
handmolen |
gruttenmolen:
grøtǝmø̄.lǝ (L331p Swalmen),
handmolen:
ha.ntj[molen] (L331p Swalmen),
kweere:
kwę̄rǝ (L331p Swalmen),
kweernmolen:
kwę̄rmø̄lǝ (L331p Swalmen)
|
Eenvoudige handmolen bestaande uit een koppel molenstenen met kleine spil, zwengel en steenkuip, in sommige gevallen uitgebreid met kaar en maalstoel. De molen werd gebruikt om graan te malen en in voorkomende gevallen ook voor het breken van zaden. De handmolen was in l 159a niet bekend. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [N D, 1; N D, 2; JG 1a]
II-3
|
| 17662 |
handpalm |
vlakke hand:
vlakke handj (L331p Swalmen)
|
palm van de hand [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 32831 |
handrol, tuinrol |
kleine wel:
klęi̯n wɛl (L331p Swalmen)
|
Een kleine rol voor gebruik in de tuin of op een klein perceel; deze rol wordt door een persoon voortgetrokken aan een touw dat op twee plaatsen aan het raam bevestigd is, of aan een met het raam verbonden steel met handgreep. Zie de afb. 85 en 86. [JG 1a; N 11A, 186a; A 40, 9f; div.]
I-2
|
| 31440 |
handschaar |
knipscheer:
knepšīr (L331p Swalmen)
|
In het algemeen een handschaar voor het knippen van plaatmateriaal, banden, draad, etc waarmee vooral een rechte snede wordt gemaakt. Zie ook het lemma "handschaar voor boogvormige sneden". Voor zover door de informant opgegeven, wordt achter de betreffende plaatscode met behulp van een letter verwezen naar de verschillende scharen uit afb. 137. [N 33, 244; N 33, 265; N 64, 3a; N 66, 4a; monogr.]
II-11
|