| 25221 |
hagelx |
hagel:
haachel (L331p Swalmen)
|
hagel [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 27379 |
hak |
hak:
hak (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
hakje:
hɛkskǝ (L331p Swalmen),
krebbel:
krɛbǝl (L331p Swalmen),
krebber:
krɛbǝr (L331p Swalmen),
veldhak:
vɛ.ltjhak (L331p Swalmen)
|
De verhoging, al of niet geheel of gedeeltelijk van leer, onder de hiel van de voet. [N 60, 233c; N 60, 126a; N 60, 169a; L 48, 28a; L 48, 28b; L 1a-m; L 1u, 82; L 5, 50; N 7, 37b; L 29, 42; monogr.] || Werktuig om de grond los te hakken, spade met een gekromd blad. Het gereedschap had een algemeen doel en diende, behalve om te wieden, ook voor andere doeleiden, zoals het schrapen (van strooisel of mest), het egaliseren van te diep uitgereden karresporen, het aanhogen van aardappelen (vergelijk het lemma Aanaardhak), enz. Deze nevendoeleinden zijn hier en daar in de benamingen terug te vinden. [N 11, 88; N 12, 45; N 15, 4 en 6a; N 18, 37, 40 en 41; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 42, 40; monogr.]
I-5, II-10
|
| 18180 |
hak van een schoen |
hak:
hak (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen,
L331p Swalmen),
hak (vanne sjoo.n, vanne sjoe) (L331p Swalmen)
|
hak van de schoen [N 07 (1961)] || hak van een schoen [pollevie, plevie, hiel] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32878 |
hak van het blad van de zeis |
hak:
hak (L331p Swalmen),
vars:
vɛ̄.rs (L331p Swalmen)
|
Het brede uiteinde van het blad van de zeis, aan de zijde van de arend. Zie afbeelding 5, nummer 2. Sommige opgaven hebben betrekking niet alleen op het puntige uiteinde van de snede aan de zijde van de arend, maar op de gehele brede zijde van het blad, doorlopend tot de rug. Van een dergelijke toevoeging is sprake bij: vars 113, 115, 117, 118a, 172, 173, 176a, 179, 182, 219, 177, 186, 223, Q 73, 157a, 160, 161, 164, 166, 240; voet: L 324. [N 18, 68b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|
| 25455 |
hakbak |
hakvloot:
hakvlōt (L331p Swalmen)
|
De ladevormige houten bak met open voorzijde waarin het vlees fijngekapt wordt. [N 28, 114]
II-1
|
| 18791 |
haken |
hakelen:
haekele (L331p Swalmen),
haken:
hôk... (L331p Swalmen)
|
haken (ww.) [SGV (1914)] || Manier van handwerken waarbij met een metalen pen met een weerhaak een lussenweefsel wordt vervaardigd (haken, crocheteren, stroppen) [N 79 (1979)]
III-1-3
|
| 28863 |
haken en ogen |
krammetjes en oogjes:
krɛmpkǝs ɛn ø̄jxskǝs (L331p Swalmen)
|
Kleine metalen haakjes en ringetjes die, langs de zomen van kledingstukken genaaid, dienen om deze te sluiten. [N 62, 51; L 1a-m; L 24, 40b; L 49, 25; MW; S 11]
II-7
|
| 33301 |
hakken, wieden met de hak |
hakken:
hakǝ (L331p Swalmen),
uithakken:
ū.thakǝ (L331p Swalmen)
|
Met een hak de grond tussen (rijen van) opgroeiende planten bewerken, met het doel deze luchtig te maken en van onkruid te zuiveren. [N 15, 5; JG 1a, 1b; monogr.]
I-5
|
| 19692 |
hakmes |
hakmets:
hakmets (L331p Swalmen),
heep:
heep (L331p Swalmen)
|
hakmes, hiep [Roukens 03 (1937)] || heep (bijl) [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 33153 |
haksel |
haksel:
hɛksǝl (L331p Swalmen)
|
Het kortgehakte stro, op de snijbok of in de hakselmachine, werd vroeger, samen met haver, gekookt en aan de beesten gevoerd. Als het iets grover gesneden was werd het ook wel als strooisel in de potstal gebruikt. Zie ook het lemma ''bussel kort stro'' (6.1.29). Zie voor de fonetische documenatie van het woorddeel [stro] het lemma ''stro'' (6.1.24). [JG 1b, 2c; L 1, a-m; L 26, 11; S 12; Wi 51; monogr.]
I-4
|