| 22376 |
glijbaan |
roetsjbaan:
roetsjbaan (L331p Swalmen),
rūtsjbān (L331p Swalmen),
Van de - aafroetsje.
roetsjbaan (L331p Swalmen)
|
Het speeltuig (vooral in speeltuinen) waarbij men langs een gladde baan van een platform naar beneden kan glijden [glijbaan, borsie, ritsbaan, roetsjbaan]. [N 88 (1982)] || Roetsjbaan, glijbaan.
III-3-2
|
| 23019 |
glijbaan add. |
slingergoot:
sjlingergäöt (L331p Swalmen)
|
Slingergoot: glijbaan in het zwembad van Swalmen.
III-3-2
|
| 17853 |
glijden |
roetsjen:
roetsje (L331p Swalmen),
slidderen:
sjliddere (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
šliddərə (L331p Swalmen)
|
glijden [SGV (1914)] || Glijden, roetsjen. || Glijden: zich langs en oppervlak gemakkelijk, met zeer weinig wrijving voortbewegen (glijden, slibberen, glissen, schuiven, slifferen, slipperen, schampen). [N 84 (1981)]
III-1-2, III-3-2
|
| 18879 |
glimlachen |
grijnzen:
grîênze (L331p Swalmen)
|
onhoorbaar lachen door de mond te vertrekken [monkelen, glimlachen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24316 |
glimworm |
glimmer:
WLD
glimmer (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
glimwormpje:
glimwurmkə (L331p Swalmen),
glimwurmpke (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
glimworm [SGV (1914)] || Het wijfje is vleugelloos, 12-18mm lang, bruinachtig van kleur, het halsschild is geel omrand. Het heeft vrij sterke lichtorganen op het einde van het achterlijf (glimworm, lichtmaaike, viermaai, gloeiige worm) [N 83 (1981)] || Hoe noemt u een soort kever: het mannetje is gevleugeld. Het kan 11-16mm lang worden. Het is bruinachtig van kleur en is in staat een geelgroen licht uit te stralen met behulp van lichtorganen op het achterlijf (glimkever) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 19456 |
gloed |
hits:
hits (L331p Swalmen)
|
Hitte, warmte die van een vurige massa uitstraalt (gloed, hitte, warmte) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 18957 |
gluiperd |
achterbakse, een -:
áchterbàkse (L331p Swalmen),
gluiperd:
gluperd (L331p Swalmen),
glûupert (L331p Swalmen)
|
een gluiperig, niet eerlijk persoon [gluiperd, luiperd, kattin] [N 85 (1981)] || huichelachtig, op bedekte wijze, niet open, niet eerlijk [gluips, gluiperig, slinks, wenslinks] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 23426 |
godslamp |
godslamp:
gaodslamp (L331p Swalmen)
|
De godslamp, de altijd brandende olielamp vóór het tabernakel van het hoofdaltaar of sacramentsaltaar [gods-, gôds-, gaods-, godeslamp]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34172 |
goed liggen |
gewoon:
gǝwø̄n (L331p Swalmen),
goed:
gōt (L331p Swalmen)
|
Het kalf ligt goed in de baarmoeder: de voorpoten zullen het eerst naar buiten komen. [N 3A, 51]
I-11
|
| 19237 |
goed opschieten met zijn werk |
plakken:
plàkke (L331p Swalmen)
|
goed opschieten met zijn werk [plakken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|