| 24987 |
glad, glijdend |
glad:
gled (L331p Swalmen)
|
glad [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33739 |
gladde ijzerdraad |
draad:
drǭt (L331p Swalmen),
tuindraad:
tūndrǭt (L331p Swalmen)
|
Het gladde ijzerdraad waarmee men weiden omheint. [N M, 6a; N M, 6b; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 20049 |
gladiool |
lelie:
lelie (L331p Swalmen)
|
Gewone zwaardlelie (gladiolus communis). Hoge plant (bijna 1 m), de bladeren zijn zwaardvormig en spits gevormd. De bloemen naar één kant, de kleur is rood of wit, met allerlei tussenkleuren; de bloembuis is gebogen (gladiool, harnaswortel, 12 apostelen, [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 23380 |
glas-in-loodraam |
glas-in-loodraam:
glaas in loodraam (L331p Swalmen)
|
Een glas-in-loodraam. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 19399 |
glasgordijn |
gordijn:
gerdien (L331p Swalmen)
|
Dun gordijn van gaas of andere fijne stof, dat vlak voor het raam hangt (gordijn, glasgordijn, vitrage) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 30680 |
glassnijder |
glassnijder:
glāsšnijǝr (L331p Swalmen)
|
Instrument waarmee het glas op maat wordt ingeritst. De glassnijder kan zijn samengesteld uit een houten handvat waaraan een diamant is bevestigd, maar er bestaan ook uitvoeringen waarbij het glas met behulp van een stalen wieltje wordt ingeritst. Aan de zijkant van de kop van de glassnijder zijn soms enige inkepingen aangebracht, die corresponderen met de verschillende glasdiktes. Zij worden gebruikt om het glas af te breken. In Q 203 werden deze inkepingen 'de tanden' ('dǝ t'ŋ') genoemd. Zie ook afb. 98. [N 67, 58a; N 67, 58b; monogr.]
II-9
|
| 19386 |
glazenkast |
glaskast:
glaaskas (L331p Swalmen),
glazerenkast:
glazere kas (L331p Swalmen)
|
Kast met opbouw, voor zilver- of glaswerk (buffet, zilverkast, glazenkast) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 20556 |
glazig |
glazerig:
glazerig (L331p Swalmen),
glazərich (L331p Swalmen),
gláázərich (L331p Swalmen),
glazig:
gláázich (L331p Swalmen)
|
glazig; Hoe noemt U: Hard en doorschijnend, gezegd van aardappelen (schier, glazerig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17626 |
glazuur |
glazuur:
glazuur (L331p Swalmen),
glàzuur (L331p Swalmen)
|
Glazuur: de glinsterende laag waarmee de tanden bedekt zijn (glazuur, email). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 29571 |
gleiswerk |
aardewerk:
ē̜rdǝwęrk (L331p Swalmen)
|
Geglazuurd aardewerk. Het woordtype faïence (Q 156) is van toepassing op geglazuurd en geschilderd aardewerk, oorspronkelijk afkomstig uit Faënza, later naar voorbeeld hiervan ook elders vervaardigd. [N 20, 5; L 35, 78; monogr.]
II-8
|