| 21439 |
geweer |
geweer:
gewaer (L331p Swalmen),
gewéér (L331p Swalmen)
|
een draagbaar vuurwapen bestemd om door één persoon met twee handen bediend te worden, ongeveer 1 à 1 1/2 meter lang [geweer, bunkje] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24410 |
gewei van een hert |
hoorn:
hâôr (L331p Swalmen)
|
Gewei van een mannetjesree [N 94 (1983)]
III-4-2
|
| 19381 |
gewelf |
gewelf:
gewøͅlf (L331p Swalmen),
gǝwø̜lǝf (L331p Swalmen)
|
Gebogen vlak, samengesteld uit bakstenen, dat de overdekking vormt van een ruimte die wordt omsloten door muren of pijlers. Zie ook de lemmata 'Troggewelf' en 'Tongewelf'. [S 10; L 1 a-m; L 24, 12; N 79, 18; monogr.] || Het gewelf [zwerk, verwulf, verwölf?]. [N 96A (1989)]
II-9, III-3-3
|
| 23377 |
gewelfschildering |
muurschildering:
moersjiljering (L331p Swalmen)
|
Een gewelfschildering, muurschildering. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 25610 |
gewicht verliezen |
uitbakken:
ūtbakǝ (L331p Swalmen)
|
Het verliezen van gewicht bij het bakken van het brood. Volgens de informant van L 270 houdt dit verlies aan gewicht ± 10% in. [N 29, 48]
II-1
|
| 25580 |
gewichtssteen |
gewichtssteen:
gǝwexštęjn (L331p Swalmen)
|
Gevraagd werd speciaal naar de stenen die men vroeger in plaats van gewichten gebruikte. [B 29, 33b; N 29, 105e; monogr.]
II-1
|
| 19264 |
gewillig |
gaarne:
géér (gedaan) (L331p Swalmen),
gewillig:
gewillig (L331p Swalmen)
|
graag bereid om iets te doen [gewillig, gemoeiig, geer] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33265 |
gewone spurrie |
spurrie:
spørx (L331p Swalmen),
špø̜rx (L331p Swalmen)
|
Spergula arvensis L. Een 15 tot 40 cm hoge plant met rechtopstaande stengels en smalle, priemvormige bladeren in kransen en kleine witte bloempjes. Spurrie bloeit van juni tot september en wordt vooral op zandgronden als veevoeder gekweekt. [N Q, 2; JG 1a, 1b; L A1, 245; R 3, 28; monogr.]
I-5
|
| 19135 |
gewoonte |
gewoonte:
Det is hiej neet de -.
geweunde (L331p Swalmen)
|
Gewoonte.
III-3-2
|
| 17564 |
gewricht |
gewerf:
gewerf (L331p Swalmen),
gewricht:
gewricht (L331p Swalmen)
|
gewricht [SGV (1914)] || gewricht, gewrichten (draaipunt in het beenderstelsel) [gewrichte, gewervele, gewerve] [N 10 (1961)]
III-1-1
|