| 20388 |
getuige zijn |
getuigen:
getuuge (L331p Swalmen)
|
getuige zijn bij een huwelijk [getuigen zijn, bronken] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 21321 |
getuigen |
getuigen:
getuugə (L331p Swalmen)
|
getuigen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21725 |
getuigenis |
getuig, het ~:
getuug (L331p Swalmen)
|
de verklaring die men als getuige aflegt over een persoon of een zaak [toon, getuige, getuigenis] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33387 |
getuigkast |
paardsgescheerkist:
pē̜ ̞rs˲gǝšērkes (L331p Swalmen)
|
Een kast, ook wel kist of bak, waarin het getuig van het paard (vooral het kostbare zadel en de haam) bewaard wordt. Op grote boerderijen (of bij welvarende mensen) is er wel eens een apart vertrek voor het getuig, maar dit komt slechts zelden voor. Een kast voor het paardetuig is onbekend in L 320a, 324, 330, 369, Q 113, 198b en 203b. Meestal hangt men het getuig aan haken of balkjes in de muur (K 278, L 271, 318, 322, 372, 413, 429a, P 107a, Q 4, 78, 111 en 193). In L 282 wordt het getuig op een ezel gelegd. Benamingen die niet een kast, kist of bak betreffen, zijn overgeplaatst naar het lemma "getuigrek" (2.3.8). Zie ook dat lemma. [N 13, 81]
I-6
|
| 21322 |
gevangenis |
bak:
Van Dale: I. bak, 9. (gemeenz.) gevangenis, nor, arrestantenhok.
bak (L331p Swalmen),
cachot (<fr.):
Van Dale: cachot (<Fr.), gevangenhok, gevangenis; arrestantenlokaal.
kesjot (L331p Swalmen),
gevangenis:
gevangenis (L331p Swalmen)
|
de gevangenis [cachot, nor, partoet, speentje, grawoel, ren] [N 90 (1982)] || gevangenis [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17808 |
geven |
geven:
gêəvə (L331p Swalmen)
|
geven [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17790 |
gevoelig (zijn) |
gevoelig:
geveulig (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
gevêûligh (L331p Swalmen)
|
gevoelig [SGV (1914)] || Gevoelig: vatbaar voor, reagerend op gewaarwordingen bijv. pijn (gevoelig). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 17740 |
gevoelloos (zijn) |
doof:
dōūf (L331p Swalmen),
dâof (L331p Swalmen)
|
Gevoelloos: geen gevoel hebben, geen pijn voelen (dood, gevoelloos). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 32966 |
gewas |
gewas:
gǝwas (L331p Swalmen)
|
Collectief voor hetgeen verbouwd of geteeld wordt op het veld. [L 1, a-m; S 20; monogr.]
I-4
|
| 25680 |
geweekt brouwgraan |
uitgeweekte gerst:
utgǝwɛjxdǝ gęrs (L331p Swalmen)
|
Brouwgraan dat voldoende geweekt is en geschikt is om de kieming te ondergaan. Zie ook de semantische toelichting bij het lemma ''kiemen''. [N 35, 17]
II-2
|