| 21893 |
geschenk |
cadeau (fr.):
kado (L331p Swalmen),
kedoo (L331p Swalmen)
|
dat wat je kado geeft [gave, geschenk, gift, present, zende, kado] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 20475 |
geslacht |
familie:
femielie (L331p Swalmen)
|
de gezamenlijke afstammelingen van een gemeenschappelijke stamvader, geslacht [natie, familie] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 20312 |
geslachtsgemeenschap hebben |
een nummertje maken:
Schertsend.
ein nummerke make (L331p Swalmen),
naaien:
Ordinair.
nejje (L331p Swalmen),
vrijen:
vrieje (L331p Swalmen)
|
geslachtsgemeenschap uitoefenen [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 33790 |
geslachtsorgaan van de hengst als geheel |
gemecht:
gǝmɛx (L331p Swalmen)
|
[JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 34063 |
geslachtsrijpe koe |
stierig rind:
štīrex rentj (L331p Swalmen)
|
Jong rund dat oud genoeg is om gedekt te worden. [N 3A, 23]
I-11
|
| 23491 |
gesloten kapelletje? |
klein kapelletje:
klein kepelke (L331p Swalmen)
|
Een kapelletje waar men niet in kan, waarin achter traliewerk een kruis of een beeld staat. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34472 |
gesneden haan |
kapuin:
kǝpūn (L331p Swalmen)
|
[N 19, 60a; monogr.]
I-12
|
| 34394 |
gesneden mannelijk schaap |
hamel:
hāmǝl (L331p Swalmen)
|
[N 19, 65a; JG 1a, 1b, 1c, 2c; AGV m 3; A 2, 46; A 4, 22a; R 3, 24; N 77, add.; L 39, 44; L 20, 22a; L 5, 30b; Wi 12; monogr.]
I-12
|
| 34305 |
gesneden mannelijk varken |
barg:
barx (L331p Swalmen),
bārx (L331p Swalmen)
|
Het WNT (II, 1 blz. 1872 s.v. berg (II)) geeft de volgende definitie van berg: "Hetzelfde als Barg (I), inzonderheid toegepast op de mannelijke biggen die, ongeveer drie weken oud, zijn gesneden". [N 19, 8; A 4, 4b; A 4, 4a; L 20, 4b; L 37, 49e; JG 1a, 1b, 2c; S 39; N C, add.; monogr.; N E 1, 12]
I-12
|
| 34309 |
gesneden vrouwelijk varken |
gelts:
gēls (L331p Swalmen)
|
Uit de antwoorden blijkt dat gelt verschillende betekenissen kan hebben. Er zijn informanten (K 278, L 421, 422, 423, Q 197, 211) die zeggen dat het snijden van een vrouwelijk varken ter plekke onbekend is. Het onvruchtbaar maken bestond uit het doorknippen van de eileiders. [N 19, 9; A 4, 4c; L 20, 4c; L 37, 49e; JG 1b; L 37, 49f; monogr.]
I-12
|