| 18945 |
gemeen |
gemeen:
gemee[i̯}n (L331p Swalmen),
laag:
laeg (L331p Swalmen),
lééch (L331p Swalmen)
|
gemeen [SGV (1914)] || slecht, gezegd van het karakter, de aard [bedekt, laag] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21465 |
gemeente |
gemeente:
geminjə (L331p Swalmen)
|
gemeente [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21718 |
gemeentebelasting |
aan de grens:
aan de grens (L331p Swalmen),
gemeentebelasting:
geméénjebelasting (L331p Swalmen)
|
de belasting die slechts voor één gemeente of stad geldt [octrooi, binnenboek, gemeentelasten] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21712 |
gemeenteheide |
markt:
mèrt (L331p Swalmen)
|
de gemeenteheide [aard] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21705 |
gemeentesecretaris |
secretaris:
sikeretares (L331p Swalmen),
sikkertaris (L331p Swalmen)
|
het hoofd van de secretarie [administratie] van een gemeente [griffier, secretaris, sikkeltaris, sik] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33670 |
gemeenteweide |
gemeentewei:
gǝmęndjǝwęi̯ (L331p Swalmen)
|
Weiland dat eigendom is van de gemeente. Een woordtype als vrijwei duidt erop dat men hier als kleine of arme boer zijn koeien vrij kon laten grazen. De informanten van Horn (L 325) en Maasbracht (L 377) zeggen echter dat men eertijds op gemeentewei de koeien kon laten grazen tegen een jaarlijkse vergoeding. [N 14, 60; A 10, 4; N 18, add.; monogr.]
I-8
|
| 18958 |
gemene vrouw |
laag:
lééch (L331p Swalmen)
|
een vrouw met een slecht en gemeen karakter [venijn] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18814 |
gemoed |
gemoed:
gemood (L331p Swalmen),
gemóót (L331p Swalmen)
|
het binnenste van de mens als zetel van zijn gevoel [moed, gemoed] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18165 |
genezen |
beter:
baeter (L331p Swalmen),
bééter (L331p Swalmen)
|
Genezen: hersteld, beter (klaar). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18817 |
genoegen (doen) |
plezier:
plezeer (L331p Swalmen),
plezéér (L331p Swalmen)
|
tevredenheid, genoegen [trek, plezier, goesting, snoel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|