| 23320 |
gelooven |
geloven:
gleu[i̯}və (L331p Swalmen)
|
gelooven [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 25188 |
geluid van naderend onweer |
gerommel:
gerômmel (L331p Swalmen),
roebelen:
roebele (L331p Swalmen),
roebələ (L331p Swalmen),
rommelen:
rômmelle (L331p Swalmen)
|
een dof, rollend geluid maken, gezegd van bijv. de donder [rommelen, rederen, meutelen] [N 91 (1982)] || eerste rommelen dat in de verte te horen is wanneer er een onweer op komst is [meutelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 17710 |
geluidloos een wind laten |
ene over de sokken laten (gaan):
euver de zök (L331p Swalmen),
i.e. sokken.
aafriete euver de zök (L331p Swalmen)
|
geluidloos een wind laten [feuze, bussinge] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 19273 |
gelukken |
lukken:
lökke (L331p Swalmen)
|
een voorspoedige afloop hebben, kunnen slagen [lukken, vergaan, bedoen, boteren, gelukken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19220 |
geluksvogel; altijd geluk hebben |
gelukszak:
gelèùkszák (L331p Swalmen)
|
iemand die altijd geluk heeft [zwijnjak, boffer, bidzalig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19227 |
gemakkelijk |
gemakkelijk:
gemekkelijk (L331p Swalmen),
gemêəkelik (L331p Swalmen),
makkelijk:
mèkkelek (L331p Swalmen)
|
geen moeite of inspanning vereisend, niet moeilijk [licht, handig, gemakkelijk, zacht, lichtelijk, goed, makkelijk, gemak, spelegaans] [N 85 (1981)] || gemakkelijk [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 19226 |
gemakkelijkste wijze; gemakkelijkst; gemakkelijk maken |
gelegen:
geléége (L331p Swalmen)
|
de manier van handelen die het makkelijkst en aangenaamst is [pas] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24850 |
gemalen schors |
loog:
WLD
loog (L331p Swalmen),
looi:
looi (L331p Swalmen)
|
Gemalen schors (looi). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 25526 |
gemalen, niet gezuiverd graan |
meel met de kleien:
mē̜l metǝ kli-jǝ (L331p Swalmen)
|
De inhoud van het lemma beantwoordt niet in alle gevallen duidelijk aan het lemma-opschrift. Er is een groep woordtypen die een algemene benaming geeft, een tweede groep duidt op "gemalen, niet gezuiverd graan", een derde duidt een bepaald soort ongezuiverd meel aan en de vierde groep geeft aan dat dit graan voor veevoer wordt bestemd of dat dit afval is. [N 29, 14a]
II-1
|
| 22441 |
gemaskerd persoon |
vastelavondsgek:
vastelaovesgek (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Carnavalsvierder. || Een persoon met een masker voor [maskeraad, mom, vastenavondsgek]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|