| 23537 |
geknield zitten |
op de knien zitten:
oppe kneen zitte (L331p Swalmen)
|
(onder de consecratie) knielen, geknield zitten, op de knieën zitten [óp en kneije zitse?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20690 |
gekookte hersens |
gekookte harren:
gekaokde herre (L331p Swalmen)
|
Gekookte hersens (frikkedellen, sepieten?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24151 |
gekraagde roodstaart |
roodstaartje:
roodsjtert, roodsjtertje (L331p Swalmen),
roodsjtertje (L331p Swalmen),
rootsjtèrtje (L331p Swalmen)
|
gekraagde roodstaart || gekraagde roodstaart (14 rood trilstaartje; man heeft zwart gezicht en iets rossige buik; zomervogel; algemeen; broedt in boomgaten; roep [uuiet-tak-tak]; zachte, heldere zang begint met [jie-dru-dru] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17580 |
gekruld haar |
krulkop:
królkop (L331p Swalmen)
|
gekruld haar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 21274 |
geld |
geld:
geldj (L331p Swalmen),
xaelt (L331p Swalmen)
|
geld [RND] || Geld in het algemeen; hierbij ook graag allerlei uitdrukkingen [geld, sens, poen, swis, oorden enz.] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 22100 |
geld inzetten |
poulen (<fr.):
poele (L331p Swalmen)
|
geld inleggen (inzetten)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 24578 |
gelderse roos |
sneeuwbal:
sjneebal (L331p Swalmen),
WLD
sjneeballe (L331p Swalmen)
|
Gelderse roos (viburnum opulus). Tot 3 m hoge struik; de bladeren zijn enkelvoudig en 3- tot 5-lobbig, slap en grof getand; de bloemen staan in platte tuilen, die aan de rand groot, stervormig en onvruchtbaar zijn; de middelste zijn kleiner en vruchtbaar. [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 24809 |
gele ganzebloem |
paardsbloem:
WLD
péérts-bloom (L331p Swalmen)
|
Gele ganzebloem (chrysanthenum segetum 20 tot 60 cm groot. De stengel is kaal en blauwgroen gekleurd. De bladeren zijn omgekeerd eivormig tot langwerpig, ze zijn kaal en blauwgroen, de bovenste zijn vrijwel ongedeeld, getand en iets stengel omvattend, d [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 24152 |
gele kwikstaart |
akkermannetje:
akkermenke (L331p Swalmen),
gele kwikstaart:
gèle kwiksjtert (L331p Swalmen)
|
kwikstaart, geel (16,5 blauwig-grijs boven, geel onder; met lang wiebelstaartje; zomervogel; in weiland en korenvelden; er bestaat ook nog grotere uitgave die langs beekjes huist en zeldzaam is [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33264 |
gele lupine |
filipinen:
filǝ`pinǝ (L331p Swalmen),
wølǝ`pīnǝ (L331p Swalmen)
|
Lupinus luteus L. Een 30 tot 60 cm hoge plant met een uit gele, lipvormige bloempjes bestaande bloempluim, die bloeit van juni tot september, boonvormige vruchtjes draagt en vooral op zandgronden als bemestingsgewas wordt geteeld. [N Q, 4a; N 11A, 29a en 29b; JG 1a, 1b; A 55, 3b; NE 1, 18; R 3, 30; monogr.]
I-5
|