| 19256 |
gedupeerd |
geleverd:
gelêêvert (L331p Swalmen)
|
veel nadeel of hinder van een of andere daad of woorden ondervindend [gezien, geleverd, gepluimd] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 23666 |
gedurige aanbidding |
altijddurende aanbidding:
altieddoerende aanbidding (L331p Swalmen)
|
Altijddurende/gedurige aanbidding van het Sacrament des Altaars. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18916 |
gedwee |
gemakkelijk:
gemèkkelik (L331p Swalmen),
getrouw:
getroe (L331p Swalmen),
gewillig:
gewillig (L331p Swalmen)
|
blijken van onderworpenheid tonend, zonder nadenken opdrachten uitvoerend [gewillig, braaf, gedwee, gemakkelijk, goed, zacht] [N 85 (1981)] || gedwee [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 24150 |
geelgors |
geelgors:
gèlgoers (L331p Swalmen),
gèèl goers (L331p Swalmen),
gèèlgoers (L331p Swalmen),
gèèlgoersj (L331p Swalmen)
|
geelgors [Roukens 03 (1937)] || geelgors (16,5 bruine stuit; man heeft meer of minder geel aan kop en borst; hele jaar overal buiten stad en dorp te zien; ook veel op trek; bekraste eitjes; roep [tsp]; zang eenvoudig [ti-ti-ti-ti-...du]; kooivogel [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 18098 |
geelzucht |
geel verf:
gael vêrf (L331p Swalmen),
géélvéérf (L331p Swalmen),
gêəl vèrf (L331p Swalmen)
|
geelzucht [SGV (1914)] || Geelzucht: ziekte die zich uiterlijk kenmerkt door de gele kleur die de huid aanneemt ten gevolge van de opneming der galkleurstof in het bloed (galzucht, galziekte, geluw, gele verf, geelverf, verf, geelaard, gele ziekte). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 29054 |
geer |
geer:
gēr (L331p Swalmen)
|
Een naar boven spits uitlopende lap of strook waarmee men een kledingstuk van onderen verwijdt. [N 62, 11a; L 1a-m; L 23, 71; Gi 1.IV, 17; S 10; monogr.]
II-7
|
| 32746 |
geerakker |
geer:
gēr (L331p Swalmen)
|
Onder een geerakker wordt hier verstaan dat deel van een akker dat gerend geploegd moet worden als de akker niet de vorm van een rechthoek of een parallellogram heeft. De benaming voor dit onderdeel is niet zelden ook op de gerende akker in zijn geheel toepasselijk. Opgaven die duidelijk de (geometrische) vorm of een scherpe hoek van een akker bleken te betreffen, zijn in dit lemma echter niet opgenomen. Zie verder ook het volgende lemma. [N 11, 4b + 64; N 11A, 127 + 137f + 137g; N P, 1; A 33, 9 add.; A 33, 10; JG 1a + 1b; JG 2b-4, 7; monogr.]
I-1
|
| 23653 |
geestelijke communie |
communie (<lat.):
kemuunie (L331p Swalmen)
|
De geestelijke communie, in de geest communiceren. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18832 |
geestig |
geestig:
geistig (L331p Swalmen)
|
met fijnzinnige humor [koel, gevat, geestig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17834 |
geeuwen |
gapen:
gape (L331p Swalmen)
|
gapen [N 10 (1961)]
III-1-2
|